← Blog
Rollen bij groepswerk: taakverdeling bij coöperatief leren
Oksana Oliinyk

Rollen bij groepswerk: taakverdeling bij coöperatief leren

Oksana Oliinyk··In de les

Groepjes van vier, één opdracht op het bord. Na drie minuten werkt er één. Twee kijken mee, en de vierde vraagt of het voor een cijfer is.

Dat ligt zelden aan de opdracht. «Ga maar in groepjes werken» zegt wat de groep moet maken, maar niet wie wat doet. Rollen vullen dat gat.

Een goede taakverdeling bij groepswerk geeft elke leerling iets te doen, zodat niemand kan meeliften. Vier rollen zijn voor de meeste opdrachten een goed begin: materiaalbaas, tijdbewaker, verslaggever en voorzitter. Bij een ontwerp- of onderzoeksopdracht werken andere rollen beter. Hieronder lees je wat elke rol doet, wat jij intussen doet, en hoe je ze invoert zonder dat je les erin vastloopt.

Een rol is geen etiket. Het is een reden om mee te doen.


Waarom werken rollen bij groepswerk?

Zonder afspraken regelt een groepje het zelf. Dan neemt de snelste het voortouw, schrijft de netste alles op, en wachten de anderen af. Niemand doet iets fout, en toch werkt maar de helft.

Een rol maakt zichtbaar wie er nu aan de beurt is. Jij hoeft niet meer «doe eens mee» te zeggen tegen de leerling die achterover hangt. Zijn groepje zegt het: «Jij bent tijdbewaker. Hoeveel tijd hebben we nog?»

Rollen geven ook rust. Het is vooraf duidelijk wie opstaat, wie praat en wie schrijft. Dat scheelt gedoe, juist in een klas die je nog niet goed kent.


De vier rollen die bijna altijd werken

De basisset van LudensFlow heeft rollenkaarten voor deze vier rollen, met de taken erop. Begin gerust met de eerste.

1. Materiaalbaas

De materiaalbaas haalt wat de groep nodig heeft, let erop dat het heel blijft en brengt alles terug.

De afspraak die het verschil maakt: alleen de materiaalbaas staat op. Dan loopt er per groepje één leerling naar de kast, niet vier. De rest blijft zitten en werkt door.

Wat de materiaalbaas zegt: «Ik haal de scharen. Wie heeft er nog lijm nodig?»

En jij? Jij ziet in één oogopslag wie er staat, en waarom.

2. Tijdbewaker

De tijdbewaker houdt het tempo in de gaten. Hij geeft halverwege een seintje, zegt wanneer de tijd bijna om is en helpt de groep dan kiezen.

Wat de tijdbewaker zegt: «Nog vijf minuten. We moeten nu kiezen.»

Een tijdbewaker kijkt dus niet alleen naar de klok. Hij zorgt dat de groep op tijd iets af heeft. Staat er een timer op het bord, dan is zijn taak makkelijker: hij hoeft niet te rekenen, alleen te kijken en het te zeggen.

En jij? Jij hoeft niet meer door de klas te roepen hoeveel tijd er nog is.

3. Verslaggever

De verslaggever schrijft op wat de groep bespreekt en besluit, en vertelt het later aan de klas.

Belangrijk: de verslaggever schrijft niet zijn eigen idee op, maar wat de groep samen heeft besloten. Dus eerst vragen, dan pas schrijven.

Wat de verslaggever zegt: «Zijn we het hierover eens? Dan schrijf ik het zo op.»

En jij? Jij krijgt aan het eind één antwoord per groepje, niet vier halve.

4. Voorzitter

De voorzitter houdt het groepje bij de opdracht en zorgt dat iedereen aan de beurt komt. Als de groep een vraag heeft, komt de voorzitter naar jou.

Wat de voorzitter zegt: «We dwalen af. Waar waren we?» of «Jij hebt nog niets gezegd. Wat denk jij?»

De voorzitter is niet de baas. Zijn taak is juist dat de anderen aan het woord komen.

En jij? Jij krijgt één vraag per groepje in plaats van vier vingers tegelijk.


Werkvormen waarin de rollen al zijn ingebouwd

Rollen uitdelen is één ding. Ze elke ronde laten wisselen, en bijhouden wie nu aan de beurt is, is lastiger. In een aantal werkvormen hoort die wissel bij de stappen zelf, en laat het bord zien wie er aan zet is.

  • Schud en pak. Groepjes van vier, ieder pakt een letterkaartje: A, B, C of D. A houdt de vraagkaartjes als een waaier, B trekt er één en leest voor, C antwoordt, D controleert en vat samen. Daarna schuiven de letters door, zodat iedereen elke rol een keer heeft.

Schud en pak op het bord: per stap staat er wie er aan zet is, «A: houd de waaier. B: trek en lees.», dan «C: antwoord. De rest luistert.», dan «D: check het antwoord, vat samen.», met een timer en een schema van vier leerlingen
  • Driestappeninterview. In tweetallen interviewt de een de ander, daarna gaan de rollen om. Twee gesprekken tegelijk, en daarna vertelt ieder in het viertal wat zijn maatje zei. Wie niet goed luistert, heeft straks niets te vertellen.

  • Lees en vraag. Tweetallen lezen een tekst. Een leest voor, de ander luistert zonder de tekst te zien. Dan volgt één vraag, en samen checken ze het antwoord in de tekst. Bij elk nieuw stuk wisselen ze, zodat ieder een keer leest. Zo leest de hele klas tegelijk, en niet één leerling voor dertig.

  • Tweetal coach. Eén leerling maakt een opgave, de ander coacht, en na elke opgave wisselen ze. Goed voor oefenstof: sommen, grammatica, vertalen.

  • 1 gaat, 3 blijven. Eén leerling uit elk groepje gaat bij een ander groepje kijken, de andere drie blijven, ontvangen de bezoeker en leggen hun werk uit. Elke ronde gaat een ander nummer op pad, dus niet steeds dezelfde reiziger.

Het voordeel: je legt de rollen niet uit naast de opdracht, ze zíjn de opdracht. Op LudensFlow open je deze werkvormen gratis en zonder account, zet je ze op het bord en loopt de tijd per stap mee. Met een gratis account bewaar je je voorbereiding, zodat hij de volgende keer klaarstaat.


STEM-rollen: bij een ontwerp- of onderzoeksopdracht

Bij bouwen, ontwerpen of onderzoeken heeft de groep andere rollen nodig, omdat het werk in fasen verloopt.

  • Ontwerper: bedenkt het voorstel, maakt een schets en bewaakt de eisen van de opdracht.

  • Bouwer: maakt het prototype, netjes en veilig.

  • Tester: zoekt uit wat werkt en wat niet, en zegt wat er beter moet, in plaats van alleen «goed» of «fout».

  • Presentator: vertelt wat de groep heeft gemaakt, hoe het werkt en wat de groep heeft geleerd.

De rollen volgen de stappen: ontwerpen, bouwen, testen, presenteren. In Design thinking in het klein zet je de rollen aan in de voorbereiding. Dan krijgt elke stap een leider uit de basisset, en noemt het bord hem bij die stap. Doe het liefst de tweede keer, als de klas de stappen al kent.


Hoe voer je rollen in? Eén voor één

Op dag één vier rollen uitdelen en verwachten dat het loopt, gaat meestal mis. Niet omdat de klas het niet kan, maar omdat het te veel tegelijk is.

Begin met één rol. Oefen hem tot hij vanzelf gaat. Pas dan de tweede.
  1. Start met de materiaalbaas. De taak is concreet en je ziet meteen of het werkt: wie staat er op, en wie niet.

  2. Zeg kort wat de rol doet, en wat niet. Geef er één zin bij die de leerling kan gebruiken. Laat de rol dan een hele opdracht lang oefenen.

  3. Voeg een tweede rol toe als de eerste vanzelf gaat, bijvoorbeeld de tijdbewaker. Zo groeit de structuur mee met de klas.

  4. Laat de rollen wisselen. Niet steeds dezelfde voorzitter. Wie wisselt, oefent ook de rol die hem minder ligt.


Wanneer zijn rollen nuttig, en wanneer niet?

Rollen helpen vooral bij:

  • opdrachten van een kwartier of langer;

  • groepjes van drie of vier;

  • opdrachten waarin meerdere dingen tegelijk moeten gebeuren;

  • groepen waarin meeliften een probleem is.

Bij een korte opdracht kosten rollen meer tijd dan ze opleveren. Moeten twee leerlingen twee minuten één antwoord vergelijken, dan ben je langer bezig met de rollen uitleggen dan met de opdracht zelf. In een tweetal zijn vier rollen te veel: er is simpelweg niet genoeg te verdelen.

En een rol vervangt het denkwerk niet. Een tijdbewaker denkt gewoon mee over de stof. De rol regelt hoe de groep samenwerkt, niet wat er geleerd wordt.


Een rol is geen persoonlijkheid

Rollen in de klas zijn iets anders dan teamrollen of persoonlijkheidstypes. Een persoonlijkheidstype zegt wie iemand is. Een rol in de klas zegt wat iemand tijdens deze opdracht doet.

Daarom kun je ze laten wisselen. Wie vandaag voorzitter is, hoeft geen «leider» te zijn. Wie morgen materiaalbaas is, is niet «de praktische». De rol hoort bij de opdracht, niet bij het kind.


Veelgemaakte fouten

  • Alle rollen tegelijk invoeren. Begin met één en bouw op.

  • Steeds dezelfde voorzitter. Dan bevestig je de rangorde die er in de groep al was. Laat de rollen bewust wisselen.

  • Een rol zonder inhoud. Een tijdbewaker die alleen naar de klok kijkt, haakt af van de stof. Koppel elke rol aan het doel van de opdracht.

  • Meer rollen dan leerlingen. In een groepje van vier heb je geen vijf rollen nodig.

  • Rollen omdat het groepswerk is. De vraag is niet welke rollen je vandaag kunt gebruiken, maar welke taak in deze opdracht zichtbaar moet worden.


Een goede opdracht zorgt dat leerlingen mógen samenwerken. Een goede rolverdeling zorgt dat ze het ook echt doen.

Kies voor je volgende les één rol, en zeg vooraf welke zin erbij hoort. Wil je dat het bord de wissel voor je bijhoudt, open dan Schud en pak: gratis, zonder account, en in een minuut op het bord. De letterkaartjes en de rollenkaarten print je met een gratis account uit de basisset.