Foutenjacht

Checken

Foutenjacht is een werkvorm waarin leerlingen de ene fout zoeken in een uitgewerkte opgave. Op het bord staat een oplossing met genummerde regels, en precies één regel is fout. Ieder schrijft eerst alleen het nummer van die regel op, en in één zin waarom. Tweetallen vergelijken en schrijven de goede regel, de klas laat de nummers tegelijk zien, en dan wijst het scherm de fout aan. Wie het goed had, staat op en legt het uit aan iemand die het miste. Zo wordt nakijken een vaardigheid die de klas oefent, en niet iets wat alleen de leraar doet.

Eén opgave · ± 14 min

Zet op het bord

Eén scherm: per opgave hoeveel regels er op het bord staan en in welke de fout zit, en of de klas na het onthullen van maatje wisselt. De uitwerking zelf schrijf je op het bord. Alleen jij ziet het, de klas pas als jij op Starten drukt.

Precies dit zet je op het digibord. De timer loopt per stap, het onthullen en de uitleg wachten op jou, en jij houdt de regie: pauzeren, tijd erbij of door naar de volgende stap. Na het tonen wijst het scherm de foute regel aan, dus jij hoeft niets te verklappen.

Zo ziet de klas het op het bord

7 stappen · één opgave, ± 8 min

Foutenjacht
0s bezig · nog ± 9:30
stap 1/7
stap 1/7 · Zoek de fout
Er zit één fout in. Schrijf het nummer van de foute regel op, en in één zin waarom.
2:30
iedereen alleen, stil
Zoeken · 2:30
Overleggen · 3 min
Tonen · 30s
Onthullen · 0s
Wisselen · 2 min
Klas · 0s
Terugblik · 1:30
← Vorige
Volgende stap →

Voor jou: Zeg dat er één fout in zit, niet waar. Kijk of iedereen een nummer én een reden opschrijft.

Groepsgrootte

alleen, dan in tweetallen · hele klas

Duur

± 14 min

incl. uitleg en terugblik

Niveau

groep 7–8 · vo · mbo

Materiaal

een uitgewerkte opgave op het bord, een wisbordje of papiertje per leerling

Vorm

alleen → tweetal → klas → nieuw tweetal

Doel

een fout vinden en uitleggen waarom

Check vóór de eerste keer één ding: is de fout een fout tegen een regel? Een min-teken dat bij het overbrengen niet omdraait, minuten gelezen als honderdsten van een uur, een index veranderd in plaats van een coëfficiënt: daar valt iets over uit te leggen. Een rekenslordigheid (7 × 8 = 54) vindt de klas ook, maar het gesprek erna duurt vijf seconden.

Verloop in één oogopslag

± 14 min totaal
alleen, in stiltein tweetallende hele klasmet een nieuw maatje

De minuten hierboven zijn de standaardtijden, geen script: wie de werkvorm voorbereidt, stelt zelf per stap de tijd in. Stap 4 en 6 hebben geen klok: het onthullen en de uitleg aan de klas duren zo lang als nodig, en jij gaat verder. Met meer opgaven herhaal je stap 1 tot en met 6; het terugkijken komt één keer, aan het eind.

Stap-voor-stap instructie

7 stappen

Zoek de fout

2,5 minalleen, in stilte

Op het bord staat een uitgewerkte opgave met genummerde regels, en precies één regel is fout. Je zegt dat er één fout in zit, niet waar. Iedereen schrijft op een wisbordje of papiertje het nummer van de foute regel, en in één zin waarom.

Overleg met je maatje

3 minin tweetallen

Zelfde regel? Zelfde reden? Wie een ander nummer heeft, legt uit waarom hij die regel koos. Daarna schrijft het tweetal samen de goede regel op.

Laat je nummer zien

0,5 minde hele klas

Op jouw teken houdt iedereen tegelijk het nummer omhoog. Kijk rond: welke nummers zie je? Je zegt nog niets.

Hier zit de fout

1 minde hele klas

Het scherm wijst de foute regel aan. Iedereen ziet of zijn nummer klopte; uitleggen komt zo. Deze stap heeft geen timer: jij gaat verder. Had iedereen het goed, dan sla je het wisselen deze ronde over.

Wissel van maatje

2 minmet een nieuw maatje

Wie de goede regel had, staat op, kiest iemand die zit en gaat ernaast zitten. Hij legt uit waarom het deze regel is en hoe hij wel moet; wie zat, vertelt wat zijn eigen regel verdacht maakte.

Leg het uit aan de klas

2 minde hele klas

Het scherm trekt een nummer: het tweetal van die leerling legt uit, en wie de regel eerst mis had, vertelt. Daarna bevestig jij, en vul je alleen aan wat ontbrak. Deze stap heeft geen timer.

Kijk terug

1,5 minin tweetallen

Na de laatste opgave: wat liet je maatje je zien dat je zelf niet zag, wat was het lastigst, en wat doe je de volgende keer anders bij het nakijken van je eigen werk? Twee of drie tweetallen geven één antwoord.

Meer opgaven achter elkaar? Het nieuwe tweetal uit het wisselen gaat door naar de volgende opgave. In een vol lokaal of de eerste keer kies je in de voorbereiding «Blijven zitten»: niemand loopt, en het tweetal controleert of verbetert zijn regel zelf.

Welke leerstrategie traint de klas?

Ophalen uit het geheugen

Leerlingen halen de stof uit hun hoofd, zonder in het boek te kijken. Ophalen is zelf een leermoment: wat je terughaalt, blijft beter zitten dan wat je opnieuw leest. Bron: Dunlosky e.a. (2013), oefentoetsen en ophalen, de hoogste beoordeling van tien technieken.

Op het bordUit je hoofd, zonder boek · Je haalt het uit je hoofd, zonder te kijken. Wat je zelf ophaalt, blijft zitten.

Ook te trainen met deze werkvorm

  • Vragen waarom het zo is · Bij je nummer schrijf je één zin waarom: zonder reden is een nummer gokken.(natuurvakken · tekstvakken)
  • Elkaar onderwijzenondersteunend · Wie de goede regel had, legt hem uit aan iemand die hem miste, niet de leraar.
  • Laten zien wat je snaptondersteunend · Alle nummers tegelijk omhoog: de leraar ziet in één blik hoeveel leerlingen de fout vonden.
Voor thuis: Uit je hoofd, zonder boekPDF

Alle leerstrategieën, met bronnen →Alle werkbladen →

Waarom werkt dit?

Een fout in andermans werk zoeken is iets anders dan een opgave maken. Je moet weten hoe het hoort, regel voor regel, en zien waar het afwijkt. Foutenjacht zet daar drie dingen omheen die van zoeken leren maken.

Een foute uitwerking leert iets wat een goede niet leert

Julie Booth en collega's (2013) gaven leerlingen in algebralessen uitgewerkte opgaven met en zonder fouten, en lieten ze bij elke opgave uitleggen wat er gebeurde. Vooral de foute voorbeelden hielpen het begrip vooruit: wie uitlegt waarom een stap niet mag, zegt hardop de regel die bij een goede stap stil blijft. Kelley Durkin en Bethany Rittle-Johnson (2012) vonden hetzelfde bij decimale getallen: wie een fout naast een goed voorbeeld legde, hield minder misvattingen over dan wie twee goede voorbeelden vergeleek. Daarom schrijft iedereen in stap 1 niet alleen het nummer op, maar ook waarom.

Eerst vastleggen, dan pas het antwoord zien

Het nummer staat op papier voordat het scherm iets laat zien. Andrew Butler en Henry Roediger (2008) lieten zien dat feedback na een eigen antwoord het goede antwoord beter laat beklijven en een fout antwoord minder laat hangen. Janet Metcalfe (2017) beschrijft in haar overzicht dat een fout die je maakt en daarna verbeterd ziet, het leren niet schaadt maar helpt, en dat een fout waar je zeker van was het best verbeterd wordt. Voorwaarde is dat de verbetering ook echt komt: daarom wijst het scherm de regel aan, en zwijg jij tot dat moment.

Uitleggen aan wie het miste, niet aan de leraar

Noreen Webb (1989) bracht het onderzoek naar groepswerk samen: leerlingen die een uitgebreide uitleg geven, leren er zelf van. Daarom krijgt wie het mis had geen antwoord, maar een uitleg. Het wisselen in stap 5 zet die twee bij elkaar: wie de goede regel had, gaat naar iemand die hem miste, en moet het dus echt kunnen uitleggen. Daarna praat aan de klas wie het eerst mis had. Kan die het nu uitleggen, dan heeft het wisselen gewerkt.

De opgave: één fout, en geen slordige

De inhoud is van jou: een uitgewerkte opgave met genummerde regels, waarvan precies één regel fout is. De regels erna volgen netjes uit die foute regel. Zo zoekt de klas de plek waar het misging, en niet een fout antwoord onderaan.

Kies een fout tegen een regel. Een min-teken dat bij het overbrengen niet omdraait, een eenheid verkeerd omgerekend, een index veranderd in plaats van een coëfficiënt. Zo'n fout heeft een waarom, en dat waarom is de les. De beste bron zijn fouten die je zelf vaak nakijkt: de fout die de halve klas op de vorige toets maakte, netjes en anoniem uitgeschreven.

Op het bord en op het scherm. De uitwerking schrijf je op het bord, met de nummers ervoor. In de voorbereiding vul je alleen in hoeveel regels er zijn en in welke de fout zit: de leerlingen schrijven een nummer op, en na het tonen wijst het scherm die regel aan. Wil je de uitwerking bewaren, dan kun je hem erbij schrijven; de klas ziet die tekst nooit op het scherm.

Kant-en-klaar. Voor wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie staan er voorbereidingen klaar, elk met een uitwerking en één fout tegen een regel. Je vindt ze hieronder bij de voorbeelden.

Wanneer wel, waar je op let

Wanneer wel

  • Na de uitleg, vóór het zelfstandig oefenen. De klas kent de regel net. Een fout ertegen vinden laat zien of ze hem echt snappen, en het gesprek erover maakt de regel scherper dan nog een opgave maken.
  • Bij een fout die je steeds weer nakijkt. Zet die fout in een uitwerking en laat de klas hem zoeken. Wie hem één keer bij een ander heeft gevonden en uitgelegd, herkent hem sneller in eigen werk.
  • Ter voorbereiding op een toets. Twee of drie opgaven achter elkaar, met de fouten die vaak voorkwamen. Met elke ronde zit iedereen bij een ander maatje, en wie een fout miste, krijgt hem uitgelegd door iemand die hem zag.
  • Als je wilt zien wie het snapt. Bij het tonen zie je in één blik hoeveel leerlingen de goede regel hebben. Twee nummers die vaak terugkomen, laten zien welke regel ook verdacht leek: daar zit nog een misverstand.
  • Ook buiten de bètavakken. Een zin met één fout tegen de werkwoordspelling, een redenering met één zwakke stap, een tijdlijn met één verkeerde volgorde: overal waar een uitwerking regels heeft, werkt de vorm.

Waar je op let

  • Als de stof nog nieuw is: begin met een goede uitwerking. Große en Renkl (2007) zagen dat foute uitwerkingen vooral hielpen bij leerlingen die de stof al redelijk kenden; leerlingen met weinig voorkennis leerden meer van alleen goede voorbeelden. Laat bij nieuwe stof eerst een goede uitwerking zien, en zet de foutenjacht een les later in.
  • Een slordige fout: kies een andere. Een rekenfoutje vindt iedereen, en dan valt er niets uit te leggen. Kies een fout tegen een regel, zodat het waarom het gesprek wordt.
  • Meer dan één fout: haal er één uit. Met twee fouten schrijft de helft het ene nummer op en de helft het andere, en wijst het scherm er maar één aan. Zorg dat alle andere regels kloppen, ook de regels na de fout.
  • In een vol lokaal: blijf zitten. Kan de helft van de klas niet tussen de tafels door, kies dan in de voorbereiding «Blijven zitten». Niemand loopt, en het tweetal controleert of verbetert zijn regel zelf. De volgorde blijft gelijk: eerst een nummer, dan het onthullen.
  • In een klas die nog weinig Nederlands spreekt. Een reden opschrijven is veel taal. Laat de reden dan in één woord of met een pijl bij de regel, en zet de tijd voor stap 1 korter. Het nummer en het wijzen naar de regel werken in elke taal.

Eén werkvorm, verschillende functies

Direct na de uitleg van een regel. Laat de regel meteen misgaan in een uitwerking. Wie de fout vindt en het waarom kan zeggen, heeft de regel begrepen en niet alleen gehoord.
Als binnenkomer bij het begin van de les. Een uitwerking met een fout uit de stof van vorige week staat al op het bord als de klas binnenkomt. Eén ronde, en iedereen haalt de regel op zonder dat je hem herhaalt.
Als afsluiting: ziet de klas de fout nu? Aan het eind van de les een uitwerking met precies de fout waar je mee begon. Vindt de klas hem nu snel en kan ze uitleggen waarom, dan weet je dat de les heeft gewerkt.
Als opening met een bekende fout. Een fout die bijna iedereen maakt, nog voordat je iets uitlegt. De verdeling bij het tonen laat zien wat de klas al denkt, en jouw uitleg begint bij de fout die het vaakst gekozen werd.
Als toetsvoorbereiding. Drie opgaven met de fouten van de vorige toets, anoniem uitgeschreven. Met elke ronde een nieuw maatje, en het terugkijken gaat over hoe je je eigen werk straks nakijkt.

Voorbeelden per context

Wiskunde · Vergelijkingen
  • Los op: 2(x − 3) + 4 = 3x − 1
  • 2x − 6 + 4 = 3x − 1
  • 2x − 2 = 3x − 1
  • 2x − 3x = −1 − 2
  • −x = −3
  • x = 3
Kant-en-klaar openen· 14 minAndere werkvormen voor Wiskunde, ook kant-en-klaar →
Natuurkunde · Snelheid
  • Een fietser rijdt 6 km in 20 minuten. Hoe snel rijdt hij, in km/h?
  • t = 20 min = 0,2 h
  • v = s : t
  • v = 6 km : 0,2 h
  • v = 30 km/h
Kant-en-klaar openen· 14 min
Scheikunde · Reactievergelijkingen
  • Maak kloppend: H₂ + O₂ → H₂O
  • Links: 2 H en 2 O. Rechts: 2 H en 1 O.
  • Rechts moet er een O bij: H₂ + O₂ → H₂O₂
  • Links: 2 H en 2 O. Rechts: 2 H en 2 O.
  • De vergelijking klopt.
Kant-en-klaar openen· 14 min
Biologie · Erfelijkheid
  • Ouders: Aa × Aa (A = gele erwt, dominant; a = groene erwt)
  • Geslachtscellen van elke ouder: A of a
  • Mogelijke nakomelingen: AA, Aa, Aa, aa
  • Groen zijn Aa en aa: 3 van de 4
  • Kans op een groene erwt: 75%
Kant-en-klaar openen· 14 minAndere werkvormen voor Biologie, ook kant-en-klaar →
Nederlands: Vijf zinnen uit een brief, genummerd, met één fout tegen de werkwoordspelling: «Hij vind het belangrijk.» Het waarom gaat over de regel, niet over het gevoel dat het fout klinkt.
Aardrijkskunde: Een berekening van de bevolkingsdichtheid in vijf regels, met de oppervlakte in de verkeerde eenheid. Wie de eenheid naast elk getal schrijft, vindt de fout.

Varianten

Blijven zitten kies je in de voorbereiding. Niemand loopt na het onthullen: het tweetal controleert zijn verbetering, of schrijft de goede regel nu alsnog op. Aan de klas leest een getrokken tweetal zijn regel voor, en zegt wat het eerst op het verkeerde spoor zette. Voor een vol lokaal of de eerste keer.
Meer opgaven tot vijf achter elkaar. Het nieuwe tweetal uit het wisselen gaat door naar de volgende opgave, dus met elke ronde zit iedereen bij een ander. Het terugkijken komt één keer, aan het eind.
Toetsvoorbereiding met de fouten die op de vorige toets vaak voorkwamen, anoniem en netjes uitgeschreven. Drie opgaven, en in het terugkijken de vraag: hoe kijk ik straks mijn eigen werk na?
Iedereen had het goed tik je aan bij het onthullen. Het wisselen valt die ronde weg, want er is niemand om het aan uit te leggen. Het is ook een signaal: de fout was te makkelijk, kies de volgende keer een fout tegen een lastiger regel.
Zonder wisbordjes laten leerlingen het nummer zien met hun vingers. Bij meer dan vijf regels werkt een papiertje beter.

Per leeftijd

Basisschool (groep 7–8). Een staartdeling of een breuksom in vier of vijf regels. Laat de reden kort zijn ("hier moet je lenen") en geef stap 1 wat meer tijd. Wijzen naar de regel op het bord mag ook.
Onderbouw vo. Vergelijkingen, eenheden omrekenen, een reactievergelijking: precies de stof waar één fout tegen een regel alles erna meesleept. Vraag nadrukkelijk om het waarom, want daar zit het begrip.
Bovenbouw vo. Langere uitwerkingen met een fout die pas laat zichtbaar wordt: een afgeleide, een kansberekening, een verkeerd gekozen formule. Laat het tweetal ook zeggen welke regel net níet fout was, maar wel verdacht leek.
Mbo. Een berekening uit het vak: een recept omrekenen, een offerte, een dosering. Een fout die in de praktijk geld of veiligheid kost, maakt het waarom echt.

Veelgemaakte fouten

Een nummer zonder reden. "Regel 4" is een gok. "Regel 4, want de −2 moet +2 worden" is begrip dat je kunt horen. Zeg in stap 1 dat de reden erbij hoort, en kijk bij het rondlopen of hij er staat.
De fout verraden. Een frons bij regel 4, een vraag als "kijk nog eens goed naar het teken", of een regel die op het bord anders geschreven is dan de rest. Zwijg tot het scherm de regel aanwijst.
De regels na de fout ook fout laten. Als ook regel 5 en 6 een fout bevatten, zijn er drie goede antwoorden. Laat alles na de fout netjes uit de foute regel volgen.
Zelf uitleggen na het onthullen. De verleiding is groot om meteen te vertellen hoe het zit. Wacht tot na het wisselen en de uitleg aan de klas: jouw aanvulling sluit dan aan op wat de klas zelf zei.
Alleen wie het goed had laten praten. In stap 6 vertelt juist wie het eerst mis had. Die uitleg laat horen of het wisselen gewerkt heeft; die van de snelste leerling vertelt je alleen wat je al wist.
Iedereen laten lopen. Alleen wie het goed had, staat op. Wie zit, blijft zitten. Zo loopt hooguit de helft van de klas, en weet iedereen waar hij heen moet.

Veelgestelde vragen

Wat is de werkvorm Foutenjacht precies?

Een werkvorm waarin leerlingen de ene fout zoeken in een uitgewerkte opgave met genummerde regels, en uitleggen waarom het een fout is. Zeven stappen: Zoek de fout (ieder alleen, in stilte: het nummer en één zin waarom); Overleg met je maatje (zelfde regel, zelfde reden? samen de goede regel opschrijven); Laat je nummer zien (iedereen tegelijk); Hier zit de fout (het scherm wijst de regel aan); Wissel van maatje (wie het goed had, kiest iemand die zit en legt uit); Leg het uit aan de klas (een getrokken nummer, en wie het eerst mis had vertelt); Kijk terug (op het werken in tweetallen). In het onderwijsonderzoek heet het werken met foute uitwerkingen erroneous of incorrect worked examples.

Hoe lang duurt Foutenjacht?

Met de standaardinstellingen duurt de hele werkvorm ± 14 minuten, uitleg en terugblik inbegrepen.

Per stap stelt wie de werkvorm voorbereidt zelf de tijd in. Het zoeken en het overleggen zijn de langste stappen; het tonen duurt een halve minuut. Het onthullen en de uitleg aan de klas hebben geen klok: ze duren zo lang als nodig, en jij klikt verder. Met meer opgaven herhaal je de eerste zes stappen; het terugkijken komt één keer, aan het eind.

Waarom schrijven leerlingen een regelnummer op, en niet de verbetering?

Omdat een nummer snel is, voor iedereen gelijk, en door de hele klas tegelijk te laten zien. Zo zie je bij het tonen in één blik hoeveel leerlingen de goede regel vonden, en welke regel ook verdacht leek. De verbetering komt daarna, in het tweetal, waar er tijd is om hem goed op te schrijven. Het nummer zonder reden telt niet: daarom hoort er één zin waarom bij.

Waarom wijst het scherm de fout aan, en niet de leraar?

Omdat jij dan tot het eind kunt zwijgen. Wie de fout uitlegt, beslist voor de klas wat er te begrijpen viel; het scherm wijst alleen de regel aan, en het waarom blijft voor de leerlingen. Jij bevestigt pas na de uitleg aan de klas, en vult alleen aan wat ontbrak.

Waarom loopt alleen wie het goed had?

Omdat die iets te vertellen heeft, en de ander iets te horen. Wie het goed had, gaat naar iemand die nog zit en legt uit; zo krijgt elke leerling die de fout miste een eigen uitleg, van een klasgenoot die hem net zelf vond. Er loopt hooguit de helft van de klas, en wie zit, hoeft nergens heen. Wil je in een vol lokaal niemand laten lopen, kies dan in de voorbereiding «Blijven zitten».

Wat als iedereen de goede regel had?

Tik dan bij het onthullen op «Iedereen had het goed»: het wisselen valt die ronde weg, want er is niemand om het aan uit te leggen. Laat aan de klas een getrokken tweetal het waarom vertellen. En neem het mee: de fout was voor deze klas te makkelijk, kies de volgende keer een fout tegen een lastiger regel.

Wat als bijna niemand de goede regel had?

Dan is er niemand om mee te wisselen, en dat zegt iets: deze fout ziet de klas nog niet. Leg het dan zelf uit, met de regel ernaast, en zet dezelfde soort fout over een week opnieuw in een foutenjacht. Wil je het voorkomen, begin bij nieuwe stof dan eerst met een goede uitwerking.

Leren leerlingen geen fouten aan van een foute uitwerking?

Niet als de fout gevonden en verbeterd wordt. Metcalfe (2017) beschrijft dat een fout die je maakt en daarna verbeterd ziet, het leren niet schaadt maar helpt. Voorwaarde is dat de verbetering echt komt, en daar zorgen het onthullen en de uitleg aan de klas voor. Leg een foute uitwerking dus nooit neer zonder dat de klas weet welke regel fout was, en waarom.

Waar vind je goede foute uitwerkingen?

Voor wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie staan er kant-en-klare voorbereidingen bij de voorbeelden op deze pagina. De beste bron zijn je eigen nagekeken toetsen: de fout die vaak voorkwam, anoniem en netjes uitgeschreven. Zoek je ideeën, vraag dan in Microsoft Copilot naar "veelgemaakte fouten bij [onderwerp] voor leerlingen van [leeftijd], met de regel die ertegen ingaat". Schrijf de uitwerking zelf uit en controleer elke regel: een tweede fout die er per ongeluk in sluipt, maakt de ronde onbruikbaar.

Wat is het verschil met Voorspel – Kijk – Verklaar en Welke aanpak?

Alle drie laten de klas eerst alleen iets vastleggen voordat er gepraat wordt. In Voorspel – Kijk – Verklaar voorspelt de klas wat een proef gaat doen; in Welke aanpak? sorteert ze opgaven op de aanpak, zonder te rekenen. In Foutenjacht ligt de aanpak al op het bord, en zoekt de klas waar hij misgaat. Kies Foutenjacht als de klas een regel kent en je wilt weten of ze hem ook herkennen als hij geschonden wordt.

Waar komt de werkvorm vandaan?

Het werken met foute uitwerkingen komt uit het onderzoek naar leren van uitgewerkte voorbeelden. Große en Renkl (2007) lieten studenten fouten zoeken en verbeteren in uitgewerkte kansberekeningen; Durkin en Rittle-Johnson (2012) en Booth en collega's (2013) toonden in klassen met decimale getallen en algebra dat foute voorbeelden met uitleg het begrip versterken. Dat leerlingen leren door elkaar uit te leggen, beschreef Noreen Webb (1989) in haar overzicht van groepswerk. LudensFlow zette het in de volgorde van het coöperatief leren: eerst alleen, dan in tweetallen, dan met de klas, en een wissel die de uitleg bij de leerling legt die hem nodig heeft.

Nakijken als vaardigheid: welke vorm past?

WerkvormDoelGroepDuurWanneer passend
Foutenjachteen fout vinden en uitleggen waaromalleen, dan tweetallen± 14 minde klas kent een regel, herkent ze een schending?
Welke aanpak?het type opgave herkennen, zonder te rekenenalleen, dan tweetallen± 16 minde klas kent de aanpakken, maar niet wanneer
Voorspel – Kijk – Verklaareen voorspelling toetsen aan een demonstratiealleen, dan tweetallen± 17 mineen uitkomst die de klas kan beredeneren
Tweetal coachhardop oplossen, de ander coachttweetallen± 16 minoefenen met een reeks opgaven
Genummerde koppensamen zeker weten dat iedereen het snapt2–6± 16 minéén goed antwoord, iedereen verantwoordelijk
1 gaat, 3 blijvenuitleggen aan een ander teamteams van 4± 20 minelk team heeft iets uit te leggen

Bronnen

  • C. S. Große & Alexander Renkl, Finding and fixing errors in worked examples: Can this foster learning outcomes?, Learning and Instruction 17(6) (2007), 612–634: foute naast goede uitwerkingen hielpen leerlingen met meer voorkennis; leerlingen met weinig voorkennis leerden meer van alleen goede voorbeelden.
  • Kelley Durkin & Bethany Rittle-Johnson, The effectiveness of using incorrect examples to support learning about decimal magnitude, Learning and Instruction 22(3) (2012), 206–214: een fout naast een goed voorbeeld vergelijken leverde meer begrip en minder misvattingen op dan twee goede voorbeelden.
  • Julie L. Booth, Karin E. Lange, Kenneth R. Koedinger & Kristie J. Newton, Using example problems to improve student learning in algebra: Differentiating between correct and incorrect examples, Learning and Instruction 25 (2013), 24–34: foute uitwerkingen met uitleg hielpen vooral het begrip in algebralessen.
  • Andrew C. Butler & Henry L. Roediger III, Feedback enhances the positive effects and reduces the negative effects of multiple-choice testing, Memory & Cognition 36(3) (2008), 604–616: feedback na een eigen antwoord liet het goede antwoord beter beklijven en een fout minder hangen.
  • Janet Metcalfe, Learning from errors, Annual Review of Psychology 68 (2017), 465–489: fouten die verbeterd worden schaden het leren niet en kunnen het helpen, mits de verbetering echt volgt.
  • Noreen M. Webb, Peer interaction and learning in small groups, International Journal of Educational Research 13(1) (1989), 21–39: wie in een groepje een uitgebreide uitleg geeft, leert er zelf van.

Samengesteld door Oksana Oliinyk · Laatst bijgewerkt 27 oktober 2026

Was deze pagina nuttig?

Na je antwoord stellen we nog drie korte vragen. Een halve minuut, en je helpt ons echt.