Welke aanpak?

Verwerken & verbinden

Welke aanpak? is een werkvorm waarin leerlingen zes tot acht gemengde opgaven sorteren op de aanpak die ze oplost, zonder er één uit te rekenen. Eerst kiest ieder in stilte per opgave een aanpak, dan vertellen tweetallen elkaar waaraan ze die herkenden, schrijven ze per type één herkenningsregel, en aan het eind staan die regels op het bord. Zo oefent de klas precies wat op een toets het vaakst misgaat: zien wat voor opgave er staat, voordat het rekenen begint. Gemaakt voor wiskunde en de bètavakken, en net zo bruikbaar bij taal: d, t of dt, of welke tijd een zin vraagt.

Eén sortering · ± 16 min

Zet op het bord

Eén scherm: typ je opgaven, één per regel, of laat de AI ze schrijven bij jouw onderwerp. Daaronder de types die op het bord staan. Alleen jij ziet het, de klas pas als jij op Starten drukt.

Precies dit zet je op het digibord. De timer loopt per stap, en jij houdt de regie: pauzeren, tijd erbij of door naar de volgende stap. De opgaven typ je zelf, of met een gratis account schrijft de AI ze bij jouw onderwerp, door elkaar en van twee of drie types.

Zo ziet de klas het op het bord

4 stappen · één sortering, ± 11 min

Welke aanpak?
0s bezig · nog ± 11 min
stap 1/4
stap 1/4 · Sorteer zonder op te lossen
Schrijf bij elke opgave welke aanpak je zou kiezen. Reken niets uit.
3:00
iedereen alleen, in stilte
Sorteren · 3 min
Vergelijken · 2 min
Regels · 2 min
Bord · 4 min
← Vorige
Volgende stap →

Voor jou: Kijk alleen of er bij elke opgave iets staat. Verbeter nog niets: een verkeerde keuze is het gesprek van straks.

Groepsgrootte

alleen, dan in tweetallen · hele klas

Duur

± 16 min

incl. uitleg en terugblik

Niveau

groep 7–8 · vo · mbo

Materiaal

papier en pen; de opgaven op het bord, in het boek of op kaartjes

Vorm

alleen → tweetal → klas

Doel

het type opgave herkennen

Check vóór de eerste keer één ding: lijken je opgaven aan de buitenkant op elkaar, terwijl de aanpak verschilt? Dan valt er iets te sorteren. Staan er alleen procentsommen in je rijtje, dan hoeft niemand te kiezen, en dat merkt de klas binnen een minuut. Twee of drie types is genoeg, mits ze door elkaar staan: nooit drie van hetzelfde type achter elkaar.

Verloop in één oogopslag

± 16 min totaal
alleen, in stiltein tweetallende hele klas

De minuten hierboven zijn de standaardtijden, geen script: wie de werkvorm voorbereidt, stelt zelf per stap de tijd in. Stap 2 heeft één klok voor twee beurten: halverwege geeft het scherm de beurt vanzelf aan B. Stap 4 groeit met het aantal types, niet met de klas: bij drie types trek je drie keer een tweetal. Zet je de oplosstap aan, dan komt er een vijfde stap achteraan.

Stap-voor-stap instructie

4 stappen

Sorteer zonder op te lossen

3 minalleen, in stilte

Op het bord staan zes tot acht opgaven van twee of drie types door elkaar, en de namen van de types. Iedereen schrijft bij elke opgave welke aanpak erbij hoort, of het nummer van het type. Niemand rekent iets uit.

Waaraan herken je het?

2 minin tweetallen

A vertelt bij elke opgave welke aanpak en waaraan A dat zag; B luistert. Halverwege geeft het scherm de beurt aan B: waar kozen jullie iets anders? Begin je zin met «Ik herken het aan …».

Eén regel per type

2 minin tweetallen

Samen schrijven ze voor elk type één herkenningsregel: «Als er … staat, dan …». Een goede regel noemt iets wat je ziet voordat je gaat rekenen.

De regels op het bord

4 minde hele klas

Het scherm trekt een tweetal, dat één regel voorleest. Jij typt hem in de tegel van dat type op het digibord, de klas vult aan of verbetert, en je trekt opnieuw voor het volgende type. Mist er een kenmerk dat jij belangrijk vindt, dan vul je het nu aan.

Wil je laten zien dat een goede regel ook naar de goede oplossing leidt, zet dan in de voorbereiding de stap «Los er per type één op» aan: dan lost elk tweetal per type één opgave op met de aanpak uit de eigen regel.

Welke leerstrategie traint de klas?

Oefenen & automatiseren

Leerlingen doen hetzelfde vaak, kort en verspreid, tot het zonder nadenken gaat. Wat geautomatiseerd is, kost geen werkgeheugen meer, en dat komt vrij voor het moeilijkere werk. Bron: Dunlosky e.a. (2013), gespreid oefenen.

Op het bordTot het vanzelf gaat · Je doet het net zo vaak tot het vanzelf gaat. Dan is je hoofd vrij voor het moeilijke werk.

Ook te trainen met deze werkvorm

  • Eigen voorbeelden gevenondersteunend · Per aanpak één herkenningsregel in eigen woorden: waaraan zie je dat dit er een is?(tekstvakken)
  • Toepassen op iets nieuws · Een opgave van een type dat nergens past, is de vraag van de les.(exacte vakken)
Werkblad: Opgave → aanpak → herkenningsregelPDFVoor thuis: Tot het vanzelf gaatPDF

Alle leerstrategieën, met bronnen →Alle werkbladen →

Waarom werkt dit?

In een gewoon rijtje oefenopgaven ligt de aanpak al vast voordat de leerling begint: het rijtje hoort bij paragraaf 4.2, dus het is een procentsom. Op de toets staat die paragraaf er niet bij. Welke aanpak? oefent juist dat ontbrekende moment, het kiezen, en laat het rekenen weg. Drie dingen maken dat het werkt.

Kiezen is een eigen vaardigheid

Wie tien procentsommen achter elkaar maakt, hoeft nooit te beslissen dat het een procentsom is. Dat besluit neemt het boek. Gemengd oefenen (in het Engels interleaving) zet opgaven van verschillende types door elkaar, zodat de leerling bij elke opgave eerst moet kiezen. Doug Rohrer en Kelli Taylor lieten in 2007 zien dat studenten die gemengd hadden geoefend, een week later veel beter scoorden dan studenten die per type hadden geoefend, hoewel ze tijdens het oefenen juist meer fouten maakten. In een gerandomiseerde studie in 54 wiskundeklassen met leerlingen van twaalf, dertien jaar (Rohrer en collega's, 2020) haalden de gemengd oefenende klassen op een onaangekondigde toets 61 procent, tegen 38 procent bij de klassen die per type oefenden. Deze werkvorm haalt het kiezen er los uit: in drie minuten maakt iedereen acht keuzes, waar hij anders twee sommen had uitgerekend.

Eerst alleen, zodat er iets te vergelijken valt

De drie stille minuten aan het begin zorgen dat elke leerling bij elke opgave een eigen keuze heeft staan. Zonder die stilte vergelijkt een tweetal de keuze van de snelste, en de ander knikt. Met die stilte heeft B iets om naast het verhaal van A te leggen, en precies de opgaven waarbij ze iets anders kozen worden het gesprek. Een verkeerde keuze in stap 1 is dus geen probleem maar materiaal: daarom verbeter je in die minuten nog niets.

Een regel maakt het herkennen overdraagbaar

Al in 1981 lieten Michelene Chi, Paul Feltovich en Robert Glaser beginners en experts natuurkundeopgaven sorteren. Beginners groepeerden op wat er te zien was ("allemaal met een hellend vlak"), experts op het principe dat de opgave oplost. Dat verschil zie je in elke klas: "er staat een breuk in" is een kenmerk aan de oppervlakte. De herkenningsregel van stap 3 («Als er … staat, dan …») dwingt het tweetal om het kenmerk te benoemen, en het bord van stap 4 is de plek waar de klas een oppervlakkige regel scherper maakt. Wat overblijft is één regel per type, die ook werkt bij een opgave die de klas nog nooit zag.

Wie benoemt de types: jij of de klas?

Standaard geef jij de types. Je typt in de voorbereiding een naam die de klas kent, en tijdens het sorteren staat die op het bord: «Kies uit: procenten · verhoudingen · oppervlakte». Leerlingen schrijven bij elke opgave de aanpak, of het nummer van het type, en het gesprek gaat daarna over waaraan ze het herkenden.

De klas bedenkt de types zelf. Met de variant Eigen types staan er geen namen op het bord. In stap 1 zet iedereen opgaven die op dezelfde manier opgelost worden bij elkaar, en in stap 3 geeft het tweetal elk groepje een naam en schrijft er een regel bij. Dat vraagt meer: een klas moet de aanpakken goed genoeg kennen om ze zonder etiket uit elkaar te houden. Het levert ook meer op, want het benoemen van een type is zelf het herkennen.

Een vuistregel: de eerste keer geef je de types, dan is duidelijk wat er gevraagd wordt. Kent de klas de vorm, en zijn de aanpakken al een tijdje bekend, probeer dan eigen types.

Wanneer wel, waar je op let

Wanneer wel

  • Als de klas de aanpak kent, maar niet weet wanneer. Elke aanpak is in een eigen hoofdstuk geoefend en ging daar goed, en op de toets loopt alles door elkaar. Dat is geen rekenprobleem maar een herkenprobleem, en dat is waar deze vorm voor gemaakt is.
  • Vlak na een tweede aanpak die op de eerste lijkt. De verhoudingstabel naast procenten, de oppervlakte naast de omtrek, d en dt naast t: zodra er een tweede aanpak bij komt, is het moment om ze uit elkaar te leren houden.
  • Vóór een toets over meerdere hoofdstukken. Zet opgaven uit drie hoofdstukken door elkaar. Je hoort per type of de klas het herkent, en de regels op het bord zijn de samenvatting die ze mee naar huis nemen.
  • Bij redactiesommen en contextopgaven. Hoe meer tekst, hoe beter het type verstopt zit. Juist daar helpt het om eerst te lezen en te kiezen, en het rekenen even te laten liggen.
  • Als je wilt horen waar ze naar kijken. Loop in stap 2 rond en luister naar de kenmerken die ze noemen. Kijken ze naar de getallen of naar de vraag? Dat hoor je in geen enkel nagekeken schrift terug.

Waar je op let

  • Bij één type opgaven: zet er eerst een tweede type naast. Staan alle opgaven bij dezelfde aanpak, dan valt er niets te kiezen. Mix er minstens één ander type doorheen. Wil je juist één aanpak inslijpen, neem dan tweetal coach: daar is het uitwerken zelf de oefening.
  • Met een aanpak die nog niet is uitgelegd: eerst de instructie. Herkennen kan alleen wie weet waar hij naar zoekt. Laat de klas sorteren als alle aanpakken in het rijtje minstens één keer zijn uitgelegd en geoefend. Een nieuw type kan er wel bij als open vraag: past deze opgave bij een van de types die we kennen?
  • Als de opgave de aanpak al noemt: herschrijf de vraag. "Bereken het percentage" verraadt het type, en dan sorteert de klas op één woord. Vraag liever wat er in de situatie gezocht wordt: "Hoeveel betaal je?"
  • In een klas die nog weinig Nederlands leest: de ISK / NT2-variant. Lange opgaven maken van sorteren een leesoefening. Met ISK / NT2 zijn het vijf opgaven en twee types, en leggen leerlingen kaartjes op twee stapels in plaats van te schrijven.
  • Als de klas wil rekenen: zeg vooraf waarom niet. Leerlingen die gewend zijn aan uitrekenen, beginnen er vanzelf aan. Zeg één keer dat kiezen het deel is dat op de toets misgaat, en dat het rekenen later komt. Wil je laten zien dat een goede regel ook naar het goede antwoord leidt, zet dan de oplosstap aan.

Eén werkvorm, verschillende functies

Direct na de uitleg van een tweede aanpak. Je hebt net de verhoudingstabel uitgelegd, en procenten kennen ze al. Meng opgaven van allebei: de klas oefent niet alleen de nieuwe aanpak, maar meteen wanneer hij past.
Als opwarmer met opgaven van vorige week. Zes opgaven uit de vorige hoofdstukken aan het begin van de les, zonder rekenen. Het ophalen uit het geheugen zet de stof vast, en jij ziet in drie minuten welk type er is weggezakt.
Als opening van een nieuw hoofdstuk. Zet twee bekende types en één nieuw door elkaar. De klas sorteert, en de opgaven die nergens passen zijn de vraag van de les: welke aanpak hebben we hiervoor nog niet?
Als afsluiting van een oefenles. Aan het eind van de les: het type van vandaag tussen de types van eerder. De regels van het bord gaan het schrift in, en de volgende les begint ermee.
Als toetsvoorbereiding. Opgaven uit alle toetshoofdstukken door elkaar, met de types die op de toets terugkomen. De klas oefent wat de toets vraagt: kiezen zonder dat er een paragraaf boven staat.

Voorbeelden per context

Nederlands · Werkwoordspelling: d, t of dt
  • Hij (vinden) het boek niet spannend.
  • Ik (worden) morgen dertien.
  • Mijn zus (werken) op zaterdag in de bakkerij.
  • (Antwoorden) jij altijd zo snel?
  • Het meisje (rijden) elke dag op de fiets naar school.
  • Jij (lopen) veel te hard voor mij.
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Nederlands, ook kant-en-klaar →
Engels · Drie tijden herkennen
  • Yesterday I (walk) to school with my friend.
  • She (play) tennis every Saturday.
  • My brother usually (take) the bus to school.
  • We (already / finish) our homework.
  • Last week they (visit) their grandma in Leeds.
  • I (live) in this town since 2020.
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Engels, ook kant-en-klaar →
Wiskunde · Procenten, verhoudingen, oppervlakte
  • Een kamer is 4 m lang en 3 m breed. Hoeveel vloerbedekking heb je nodig?
  • Een jas van € 80 krijgt 25% korting. Wat betaal je?
  • Voor 4 pannenkoeken gebruik je 200 ml melk. Hoeveel melk is nodig voor 10 pannenkoeken?
  • Van de 25 leerlingen in de klas hebben er 5 een hond. Hoeveel procent is dat?
  • Een vierkante tegel heeft zijden van 30 cm. Hoeveel cm² is één tegel?
  • Siroop en water meng je 1 op 5. Hoeveel water doe je bij 2 dl siroop?
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Wiskunde, ook kant-en-klaar →
Biologie · Rekenen in de biologie
  • Van de 20 zaadjes die je zaait, komen er 15 op. Hoeveel procent is dat?
  • Het oculair is 10× en het objectief 40×. Hoeveel keer groter zie je de cel?
  • Vier bonenplanten zijn 12, 15, 9 en 16 cm lang. Hoe lang zijn ze gemiddeld?
  • Je lichaam bestaat voor ongeveer 60% uit water. Hoeveel kilo water zit er in iemand van 50 kg?
  • Op een foto is een mier 6 cm lang. In het echt is hij 6 mm. Hoeveel keer groter is hij op de foto?
  • Onder een microscoop van 100× lijkt een cel 5 mm groot. Hoe groot is de cel echt?
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Biologie, ook kant-en-klaar →
Geschiedenis · Rekenen met tijd
  • In 1492 kwam Columbus aan in Amerika. In welke eeuw was dat?
  • De Eerste Wereldoorlog begon in 1914 en eindigde in 1918. Hoeveel jaar duurde hij?
  • Een pot is gemaakt in 200 v.Chr. Een zwaard is 150 jaar later gemaakt. Uit welk jaar komt het zwaard?
  • Willem van Oranje werd geboren in 1533 en stierf in 1584. Hoe oud werd hij?
  • Karel de Grote werd in het jaar 800 tot keizer gekroond. Bij welke eeuw hoort dat jaar?
  • Een Griekse tempel werd gebouwd in 450 voor Christus en stortte in 50 voor Christus in. Hoeveel jaar stond hij er?
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Geschiedenis, ook kant-en-klaar →
Burgerschap · Verkiezingen in cijfers
  • Van de 1200 leerlingen stemden er 300 bij de schoolverkiezing. Hoeveel procent is dat?
  • 28 leerlingen kiezen tussen twee plannen voor het schoolreisje. Hoeveel stemmen is genoeg om zeker te winnen?
  • De gemeenteraad heeft 25 zetels en er zijn 10.000 geldige stemmen. Hoeveel stemmen is één zetel waard?
  • De leerlingenraad heeft 8 plaatsen en er zijn 400 stemmen. Lijst Sport krijgt 150 stemmen. Hoeveel plaatsen is dat?
  • Drie partijen hebben 40, 25 en 12 zetels in de Tweede Kamer van 150. Hebben ze samen genoeg om een wet aan te nemen?
  • Een partij krijgt 15% van de 2000 stemmen. Hoeveel stemmen zijn dat?
Kant-en-klaar openen· 16 minAndere werkvormen voor Burgerschap, ook kant-en-klaar →

Varianten

ISK / NT2 deze variant zet vijf opgaven en twee types klaar, met twee minuten om te sorteren, en het bord zegt: «Leg de kaartjes op twee stapels: zelfde aanpak bij elkaar. Reken niets uit.» Sorteren met kaartjes vraagt weinig taal, en het gesprek in stap 2 kan beginnen bij wijzen: deze en deze horen bij elkaar.
Eigen types met deze variant bedenkt de klas de types zelf: in stap 1 zet iedereen opgaven die op elkaar lijken bij elkaar, in stap 3 geeft het tweetal elk groepje een naam en een regel. Voor klassen die de aanpakken al goed kennen.
Herhaling neem opgaven uit de laatste drie hoofdstukken door elkaar. Stof die een paar weken heeft gelegen en dan weer opgehaald moet worden, blijft beter hangen dan stof die je in één keer doorwerkt, en de klas oefent meteen het kiezen tussen hoofdstukken.
Oplossen erbij zet de vijfde stap «Los er per type één op» aan. Elk tweetal kiest dan per type één opgave en lost hem op met de aanpak uit de eigen regel. Standaard staat hij uit, omdat de regels het doel zijn en niet de antwoorden; aan zet hij de vraag of een goede regel ook naar het goede antwoord leidt.
Zonder ingetypte opgaven laat het veld leeg en kies alleen het aantal. De opgaven staan dan in het boek of op kaartjes, en het bord zegt hoeveel het er zijn. Handig als je een rijtje uit de methode wilt gebruiken zoals het daar staat.
Op kaartjes, op stapels print de opgaven op kaartjes, één set per leerling. In stap 1 sorteert ieder zijn eigen set op stapels, in stap 2 leggen de twee hun stapels naast elkaar. Wat verschuift, is het gesprek.

Per leeftijd

Basisschool (groep 7–8). Twee types is genoeg, met namen die de klas uit de rekenmethode kent: "keersom" en "deelsom", of "procenten" en "breuken". Korte redactiesommen werken het best, en de regel mag eenvoudig zijn: «Als er eerlijk verdelen staat, dan delen».
Onderbouw vo. Hier zit de grootste winst: elk hoofdstuk brengt een nieuwe aanpak, en de toetsen mengen ze. Drie types, acht opgaven, en reken erop dat de eerste regels aan de oppervlakte blijven. Dat is precies wat het bord daarna scherper maakt.
Bovenbouw vo. Laat de klas de types zelf benoemen, en kies opgaven die op elkaar lijken terwijl de aanpak verschilt: differentiëren of integreren, een binomiale of een normale verdeling, een evenwicht of een reactiesnelheid. Bij examenstof is dit het moment waarop leerlingen merken dat "ik snapte het in het hoofdstuk" iets anders is dan "ik zie het op het examen".
Mbo. Gebruik opgaven uit het vak: een recept omrekenen, een prijs met btw, een hoeveelheid verf per vierkante meter. Een beroepssituatie maakt het type minder zichtbaar dan een som uit het boek, en daardoor is het sorteren echt werk.

Veelgemaakte fouten

Toch laten rekenen. Een paar leerlingen beginnen uit gewoonte aan de eerste opgave en komen niet verder dan twee. Zeg vooraf dat er niets uitgerekend wordt, en wijs bij het rondlopen naar het bord: daar staat «Reken niets uit».
De types staan op volgorde. Drie procentsommen, dan drie verhoudingen: na de eerste van elk rijtje hoeft niemand meer te kiezen. Meng ze, en zet nooit twee van hetzelfde type naast elkaar.
In stap 1 al verbeteren. Loop rond en kijk alleen of er bij elke opgave iets staat. Een verkeerde keuze nu is het materiaal voor het gesprek straks, en wie jij al verbeterd hebt, heeft in stap 2 niets meer te vertellen.
Vingers laten opsteken in stap 4. Dan leest steeds hetzelfde tweetal voor. Het scherm trekt een tweetal, en omdat niemand weet wie er aan de beurt komt, heeft elk tweetal een regel klaar. Dat is wat de trekking doet.
Een regel die alleen de naam herhaalt. "Omdat het een procentsom is" is geen regel, maar het antwoord nog een keer. Vraag: waaraan zie je dat het een procentsom is? Een goede regel noemt iets wat je ziet voordat je gaat rekenen.
Oppervlakkige kenmerken laten staan. "Er staat een breuk in" klopt vaak, en breekt bij de eerste opgave waar een breuk iets anders betekent. Laat het in stap 2 gerust staan, en vraag op het bord of de regel ook voor de andere opgaven van dat type klopt.
Het bord laten verdwijnen. De regels zijn het product van de les. Laat ze overschrijven in het schrift, of begin de volgende les met dezelfde regels en een nieuwe set opgaven: werken ze nog?

Veelgestelde vragen

Wat is de werkvorm Welke aanpak? precies?

Een werkvorm waarin leerlingen gemengde opgaven sorteren op de aanpak die ze oplost, zonder ze uit te rekenen. Vier stappen: ieder schrijft in stilte bij elke opgave welke aanpak erbij hoort; in tweetallen vertelt eerst A en dan B waaraan ze het herkenden («Ik herken het aan …»); samen schrijven ze per type één herkenningsregel («Als er … staat, dan …»); en een getrokken tweetal leest zijn regel voor, die jij live in de tegel van dat type op het bord typt, terwijl de klas aanvult. De werkvorm traint het herkennen van het type opgave, het deel dat bij gemengde toetsen het vaakst misgaat.

Hoe lang duurt Welke aanpak?

Met de standaardinstellingen duurt de hele werkvorm ± 16 minuten, uitleg en terugblik inbegrepen.

Per stap met de standaardtijden: drie minuten sorteren, twee minuten vergelijken (na een minuut gaat de beurt vanzelf van A naar B), twee minuten voor de regels en vier minuten voor het bord. Wie de werkvorm voorbereidt, stelt elke stap zelf in; een stap op 0 slaat de speler over. Het bord is klaar als elke regel er staat, niet als de tijd om is: zet hem dan op jouw klik. De oplosstap staat standaard uit; zet je hem aan, dan komt er een stap bij.

Waarom mogen leerlingen de opgaven niet oplossen?

Omdat het rekenen het kiezen verdringt. Wie rekent, maakt in drie minuten twee opgaven en kiest dus twee keer; wie alleen kiest, doet dat acht keer. En kiezen is wat in een gewoon rijtje oefenopgaven nooit geoefend wordt, omdat de paragraaf het al voor de leerling beslist. Wil je toch laten zien dat een goede regel ook naar het goede antwoord leidt, zet dan de vijfde stap aan: per type één opgave oplossen, na het bord.

Hoeveel opgaven en hoeveel types zet je klaar?

Zes tot acht opgaven van twee of drie types is een goed begin; de voorbereiding laat vier tot twaalf opgaven en twee tot vier types toe. Zorg dat elk type minstens twee keer voorkomt, anders valt er per type niets te vergelijken. Meer dan drie types maakt de regels op het bord lang en het gesprek in het tweetal oppervlakkig. Voor een klas die nog weinig Nederlands leest zet de variant ISK / NT2 vijf opgaven en twee types klaar.

Waar haal je de opgaven vandaan?

Uit je eigen boek, of je laat ze schrijven. Met een gratis account schrijft de AI in de voorbereiding ze voor je: noem in de balk boven het veld Opgaven je onderwerp en leerjaar, en je krijgt twee of drie types door elkaar, die jij naleest voordat je start. Staan ze al in je boek, fotografeer dan de bladzijde met de camera naast die balk, en de opgaven komen in het veld. Of laat het veld leeg: dan blijven ze in het boek en kies je alleen het aantal. Liever in Microsoft Copilot? In hetzelfde scherm staat de prompt klaar: „Schrijf 8 korte opgaven over [onderwerp] voor leerlingen van [leeftijd], van twee of drie types die elk een andere aanpak vragen, door elkaar. Noem de aanpak niet in de opgave. Eén opgave per regel, zonder nummering.” Plak het antwoord in het veld Opgaven.

Wat is een goede herkenningsregel?

Een regel die iets noemt wat je ziet voordat je gaat rekenen, en die ook werkt bij een opgave die je nog niet kende. "Als er korting of btw staat, dan procenten" is een begin; "als er een deel van een geheel gevraagd wordt en het geheel is honderd procent, dan procenten" is beter. "Omdat het een procentsom is" is geen regel: dat is de naam nog een keer. Op het bord toets je elke regel met één vraag aan de klas: klopt hij ook voor de andere opgaven van dat type? Mist er een kenmerk dat jij belangrijk vindt, dan vul je het daar aan.

Werkt dit ook buiten wiskunde?

Ja, overal waar leerlingen een regel kennen maar niet zien wanneer hij geldt. Bij Nederlands is werkwoordspelling het voorbeeld: d, t of dt is geen spellingprobleem maar een herkenprobleem. Bij Engels de tijden, bij geschiedenis het rekenen met eeuwen en jaartallen, bij biologie en natuurkunde de formule die bij een situatie hoort. De vorm blijft gelijk; alleen de opgaven en de namen van de types veranderen.

Waarom trekt het scherm een tweetal, en steken leerlingen geen vinger op?

Omdat dan steeds dezelfde tweetallen voorlezen, en de rest geen regel hoeft te hebben. Met de trekking weet niemand wie er voor de klas spreekt, dus heeft elk tweetal een regel klaar. Op het scherm staat het ook: «Nog niemand weet wie er voor de klas spreekt. Daarom heeft elk tweetal een regel klaar.» Je trekt per type opnieuw, zodat bij drie types drie tweetallen aan het woord komen.

Wat is gemengd oefenen, of interleaving?

Oefenen met opgaven van verschillende types door elkaar, in plaats van per type een blok. In het onderzoek van Doug Rohrer en collega's scoren leerlingen die zo oefenen op een latere toets duidelijk hoger, terwijl het oefenen zelf lastiger voelt en er meer fouten in gemaakt worden. De verklaring is het kiezen: in een blok weet je de aanpak al, in een mix moet je hem bij elke opgave vinden. Welke aanpak? neemt alleen dat kiezen en maakt het hardop, zodat jij hoort waaraan de klas een type herkent.

Wat is het verschil met tweetal coach?

Wat er geoefend wordt. In tweetal coach werkt één leerling een opgave hardop uit terwijl de ander meekijkt: de aanpak ligt vast, het uitvoeren is de oefening. In Welke aanpak? wordt niets uitgevoerd: de oefening is het kiezen van de aanpak. Ze passen goed na elkaar: eerst sorteren met Welke aanpak?, dan per type één opgave uitwerken met tweetal coach.

Waar komt de werkvorm vandaan?

Welke aanpak? is een vorm van LudensFlow, gebouwd op twee lijnen uit het onderzoek. De eerste is het onderzoek naar gemengd oefenen van Doug Rohrer en collega's aan de University of South Florida (2007, 2015, 2020): oefenopgaven door elkaar zetten verbetert het leren, vooral omdat leerlingen dan moeten kiezen. De tweede is het klassieke sorteeronderzoek van Michelene Chi, Paul Feltovich en Robert Glaser (1981): beginners groeperen opgaven op wat er te zien is, experts op het principe eronder. De opbouw (eerst alleen, dan in tweetallen, dan met de klas) en de getrokken tweetallen komen uit het coöperatief leren: iedereen een eigen bijdrage, en iedereen aanspreekbaar.

Oefenen met opgaven: welke vorm past?

WerkvormDoelGroepDuurWanneer passend
Welke aanpak?het type opgave herkennen, zonder te rekenenalleen, dan tweetallen± 16 minde klas kent de aanpakken, maar niet wanneer
Tweetal coachoefenen met een coach ernaasttweetallen± 16 minoefenstof met meer dan één stap
Flitskaartenfeiten herhalen in tempotweetallen± 15 minkorte antwoorden, woordjes en jaartallen
Genummerde koppensamen zeker weten dat iedereen het snapt2–6± 16 minéén goed antwoord, iedereen verantwoordelijk
Eén voor ééneen reeks opgaven, de klas bij dezelfde opgavealleen, hele klas tegelijk± 14 minoefenen en zien waar het vastloopt
Kennisquizteams antwoorden tegelijk op het bord, met een scorehele klas, 2–8 teams± 8 mincontroleren en herhalen, met tempo
Sneeuwbal (1-2-4-All)ideeën verzamelen en ordenen8–32± 18 minopen vraag, iedereen eerst alleen

Bronnen

  • Doug Rohrer & Kelli Taylor, The shuffling of mathematics problems improves learning, Instructional Science 35 (2007), 481–498: gemengd oefenen tegenover oefenen per type, en het effect een week later.
  • Doug Rohrer, Robert Dedrick & Sandra Stershic, Interleaved practice improves mathematics learning, Journal of Educational Psychology 107(3) (2015), 900–908: hetzelfde effect in gewone wiskundeklassen, met de eigen leraar.
  • Doug Rohrer, Robert Dedrick, Marissa Hartwig & Chi-Ngai Cheung, A randomized controlled trial of interleaved mathematics practice, Journal of Educational Psychology 112(1) (2020), 40–52: 54 klassen, een onaangekondigde toets, 61 tegenover 38 procent.
  • Michelene Chi, Paul Feltovich & Robert Glaser, Categorization and representation of physics problems by experts and novices, Cognitive Science 5(2) (1981), 121–152: beginners sorteren op oppervlaktekenmerken, experts op het principe.

Samengesteld door Oksana Oliinyk · Laatst bijgewerkt 23 oktober 2026

Was deze pagina nuttig?

Na je antwoord stellen we nog drie korte vragen. Een halve minuut, en je helpt ons echt.