Incidentmethode

Toepassen in nieuwe context

De incidentmethode is een intervisiemethode in acht stappen waarin de inbrenger één incident vertelt zonder de afloop, zodat de groep het blind analyseert. Eerst formuleert hij zijn vraag in één zin, dan beschrijft hij één concreet moment en stopt precies vóór de lastige keuze; de groep vraagt naar de feiten, analyseert wat er speelt terwijl de inbrenger luistert, en schrijft daarna ieder voor zich op wat hij zelf zou doen. Pas dan vertelt de inbrenger wat hij werkelijk deed of gaat doen, ieder noemt één inzicht, en de groep kijkt terug op het gesprek zelf. Gemaakt voor vaste groepen van vijf tot acht collega's die een concrete situatie willen uitpluizen tot een besluit — niet voor een inbrenger die vooral gehoord wil worden, en niet voor een vraag zonder één aanwijsbaar moment.

Zo ziet de klas het op het bord

8 stappen · elk ingebracht incident is één ronde van ± 38 min

Incidentmethode
0s bezig · nog ± 38 min
Gesprek · stap 1/8
stap 1/8 · Vraag formuleren
Een leerling loopt tijdens mijn les weg en slaat de deur dicht. Wat doe ik op dat moment?
Inbrenger: formuleer je vraag.
3:00
de inbrenger
Vraag · 3 min
Incident · 4 min
Vragen · 3 min
Analyse · 10 min
Alternatieven · 7 min
Reactie · 3 min
Inzichten · 5 min
Reflectie · 3 min
← Vorige
Volgende stap →

Voor jou: Vraag door tot de vraag begint met "hoe" of "wat" — een vage vraag kost je straks de analyse.

Groepsgrootte

kring van 5–8 collega's

Duur

40–50 min per casus

Niveau

vanaf bovenbouw vo · teams

Materiaal

pen en papier, een bord voor de vraag

Vorm

één kring, één inbrenger per ronde

Doel

handelen onderzoeken vóór het oordeel

Check vóór de eerste keer één ding: heeft de inbrenger een incident, en niet een toestand? Een incident is één moment met een keuze erin — de leerling die wegloopt en de deur dichtslaat, de ouder die midden in het gesprek opstaat. "Het loopt al maanden stroef met die klas" is geen incident, en zonder een moment valt er niets te analyseren zonder afloop. Vraag om iets van de afgelopen weken, met een plaats, een tijdstip en een zin die is uitgesproken.

Verloop in één oogopslag

38 min totaal
de inbrenger spreektde groepeerst schriftelijk, dan om de beurtsamen

De minuten hierboven zijn een startpunt, geen script: wie de werkvorm voorbereidt, stelt zelf per stap de tijd in. De achtendertig minuten van de stappen worden in de praktijk veertig tot vijftig, met het installeren van de kring en de reflectie aan het eind erbij. Twee stappen dragen de methode en houden hun tijd — de analyse van tien minuten en de alternatieven van zeven; de korte stappen eromheen mogen krapper. Met vijf collega's zijn de alternatieven in vijf minuten voorgelezen, met acht is zeven minuten net genoeg.

Stap-voor-stap instructie

8 stappen

Vraag formuleren

3 minde inbrenger spreekt

De casusinbrenger formuleert in één zin wat hij van de groep wil weten. Is de vraag te breed, dan helpen de begeleider of de groep hem scherper te krijgen; hij komt op het bord.

Het incident beschrijven

4 minde inbrenger spreekt

Hij beschrijft één concreet moment — wat er gebeurde, wie erbij waren, wat hij zei — en stopt vóór hij vertelt hoe het afliep.

Verduidelijkende vragen

3 minde groep

De deelnemers vragen naar de feiten, niet naar het waarom en niet naar de afloop; de inbrenger antwoordt kort en zo feitelijk mogelijk.

Analyse

10 minde groep

De deelnemers bespreken samen wat er speelt: welke belangen en verwachtingen botsen hier? Nog geen oplossingen. De inbrenger luistert en corrigeert niet.

Alternatieven delen

7 mineerst schriftelijk, dan om de beurt

Ieder schrijft eerst voor zichzelf op wat hij hier zou doen en vanuit welke houding, en vertelt dat daarna kort — zonder discussie tussendoor.

Reactie van de casusinbrenger

3 minde inbrenger spreekt

De inbrenger vertelt wat hij werkelijk deed of gaat doen, in relatie tot de alternatieven die hij hoorde. De groep mag concretiserende vragen stellen, geen discussie.

Inzichten formuleren

5 minsamen

Iedere deelnemer zegt om de beurt welk inzicht deze intervisie hem oplevert — over zichzelf, niet over wat de ander moet. De inbrenger doet mee.

Reflectie op de intervisie

3 minsamen

De groep kijkt terug op het verloop, niet op de casus: waar werd het onderzoek scherp, waar gleed het weg, wat doen we volgende keer anders?

Eén incident per ronde. Een tweede inbrenger begint weer bij stap 1; de speler draait één ronde per naam die je in de voorbereiding hebt ingevuld en sluit af met de reflectievragen.

Waarom werkt dit?

Wie de afloop van een verhaal kent, beoordeelt hem; wie hem niet kent, moet zelf denken. Dat is de hele constructie van de incidentmethode, en de zeven andere stappen staan eromheen om die ene constructie te laten werken.

Zonder afloop valt er niets te beoordelen

In een gewone casusbespreking vertelt de inbrenger wat hij deed, en de groep zegt of dat goed was. Hier stopt hij precies vóór de keuze, en dus kan de groep maar één ding: zelf uitzoeken wat er speelt en wat zij zou doen. Dat verandert wie er kwetsbaar is — niet de inbrenger, die nog niets heeft prijsgegeven, maar de groep, die hardop moet denken. Bewaak het einde dus streng: onderbreek met "stop, daar wil ik het nog niet over hebben" zodra hij naar de afloop glijdt, en verbied in stap 3 de vraag "en toen?". Eén verklapte afloop en de methode is een adviesgesprek geworden.

Eerst wat er speelt, dan pas wat je zou doen

De analyse van stap 4 is de langste stap en de enige zonder oplossingen: welke belangen botsen hier, welke verwachtingen, wat speelt er onder het incident? De inbrenger luistert en mag niet corrigeren — ook niet als de groep het mis heeft, want wat de groep mist, is zelf informatie over hoe zijn situatie van buiten oogt. Wie oplossingen in de analyse toelaat, krijgt in stap 5 zeven keer hetzelfde advies; wie ze tien minuten tegenhoudt, krijgt zeven verschillende, omdat iedereen intussen een eigen beeld van het incident heeft opgebouwd.

Eerst schrijven, dan spreken

In stap 5 schrijft ieder eerst voor zichzelf op wat hij zou doen en vanuit welke houding, en pas daarna vertelt iedereen om de beurt, kort, zonder discussie. Zonder dat schrijven praat de eerste spreker de rest hun eigen antwoord uit het hoofd, en hoort de inbrenger één alternatief in zeven varianten. Met het schrijven hoort hij zeven — en de houding erbij ("ik zou streng zijn, omdat…") maakt het verschil tussen een tip en een keuze. Het gaat om de veelheid, niet om de beste: de inbrenger kiest zelf in stap 6.

Wanneer wel, wanneer niet

Wanneer wel

  • Bij één incident met een keuze erin. Een leerling die wegloopt, een ouder die zijn stem verheft, een collega die in de vergadering iets zegt wat je niet laat lopen — en de vraag: wat doe ik op dat moment? Hoe scherper het moment, hoe beter de methode werkt.
  • Als het team handelingsverlegen is. Iedereen herkent de situatie en niemand weet wat hij zou doen. De alternatievenronde levert dan in zeven minuten meer handelingsopties op dan een half uur discussie — omdat ze zijn opgeschreven vóórdat iemand de toon zette.
  • Bij een incident dat nog moet komen. De vorm werkt ook vooruit: "het gesprek met die ouder is donderdag, wat doe ik als hij weer begint over de cijfers?" De inbrenger vertelt in stap 6 dan niet wat hij deed, maar wat hij gaat doen — en heeft zeven alternatieven gehoord vóór hij koos.
  • In een vaste intervisiegroep die al kan luisteren. Acht stappen en drie kwartier vragen een groep die weet dat de inbrenger in stap 4 zwijgt en dat "waarom deed je dat?" geen vraag is. Na twee of drie keer trio-advies of de roddelmethode is een groep daar klaar voor.
  • Als hele onderwerp van een bijeenkomst. Niet als agendapunt naast vijf andere: één incident, drie kwartier, en de reflectie aan het eind. Een tweede incident past in dezelfde bijeenkomst als er anderhalf uur is en een pauze ertussen.

Wanneer niet

  • Zonder één aanwijsbaar moment. "Het loopt stroef met die klas" heeft geen afloop om te verzwijgen, en dus niets om blind te analyseren. Vraag de inbrenger om één moment uit die stroeve maanden — de les waarin het kantelde, het gesprek dat verkeerd viel. Blijft het bij een patroon in plaats van een moment, dan zijn de dominante ideeën de betere vorm: die zoekt naar de overtuigingen onder het patroon.
  • Als de inbrenger vooral gehoord wil worden. De incidentmethode onderzoekt handelen en eindigt met alternatieven; wie vooral wil horen hoe zijn situatie van buiten klinkt, zonder adviezen, is beter af met de roddelmethode — vijf stappen, geen alternatievenronde, en de inbrenger zegt aan het eind zelf wat hij meeneemt.
  • Bij een waardenkwestie in plaats van een handeling. "Mag ik een leerling iets beloven wat ik niet zeker weet?" heeft geen incident maar een dilemma, en het antwoord is geen alternatief maar een houding. Daarvoor is het socratisch gesprek gemaakt: dezelfde groep, meer tijd, en de vier deugden als taal.
  • Met minder dan drie kwartier. Acht stappen laten zich inkorten, maar niet halveren: onder de dertig minuten sneuvelt de analyse of de alternatievenronde, en dat zijn de twee stappen die de methode dragen. Heb je een half uur, neem dan trio-advies — dezelfde luisterbeweging in drietallen, een kwartier per vraag — en bewaar het incident voor een bijeenkomst met tijd.
  • Met een groep die elkaar net kent. Tien minuten hardop analyseren terwijl de inbrenger luistert, vraagt vertrouwen dat er in een eerste bijeenkomst nog niet is; de groep blijft dan aan de oppervlakte en de alternatieven worden beleefd. Begin zo'n groep met trio-advies, en kom na twee of drie keer hier terug.

Voorbeelden per context

Lerarenteam — "Een leerling loopt tijdens mijn les weg en slaat de deur dicht. Wat doe ik op dat moment?" — het incident uit het voorbereidscherm, en het klassieke voorbeeld van een moment met een keuze erin.
Mentoren en leerlingbegeleiding — Een ouder die midden in het tienminutengesprek zegt dat de school zijn kind kapotmaakt. De groep analyseert wat er onder die zin zit vóórdat iemand hoort wat de mentor terugzei.
Schoolleiding — Een collega die in de teamvergadering hardop zegt dat het nieuwe rooster "weer zo'n managementidee" is. Zeven alternatieven voor wat de teamleider op dat moment kan doen — en dan wat hij deed.
Zorg en welzijn — Een cliënt die tijdens het huisbezoek de deur niet opendoet maar wel thuis is. Zelfde acht stappen; de analyse gaat over belangen en verwachtingen, niet over de cliënt.
Mbo- en hbo-stage — Een stagiair die van zijn begeleider een opdracht krijgt die tegen de instructie van school ingaat — en het moment waarop hij daar iets van moet zeggen. Intervisie in de opleiding is precies hiervoor bedoeld.
Coaches en trainers — Een deelnemer die in de derde sessie zegt dat hij er niets aan heeft en zijn spullen pakt. Wat doe je in de tien seconden daarna? De groep bedenkt het vóór de trainer het vertelt.

Varianten

Met een tijdbewaker wijs één groepslid aan dat de klok in de gaten houdt en de overgangen aankondigt, zodat de begeleider bij het proces kan blijven — bij de verboden vragen in stap 3 en bij de zwijgende inbrenger in stap 4. De speler telt af op het scherm; de tijdbewaker zegt hardop wanneer het zover is.
Het incident dat nog moet komen de inbrenger vertelt een situatie die eraan komt — het gesprek van donderdag, de les na de vakantie — en stopt bij het moment waarop hij moet kiezen. Stap 6 wordt dan "wat ga ik doen": hij kiest uit de alternatieven die hij net heeft gehoord, en de groep hoort de volgende keer hoe het afliep.
Kort, in een teamoverleg zet de stappen op 2-3-2-7-5-2-3-2 en de hele ronde past in een halfuur, bijvoorbeeld als vast onderdeel van een sectievergadering. Kort de korte stappen in, niet de analyse en de alternatieven — die twee zijn de methode.
Twee incidenten in één bijeenkomst typ in de voorbereiding twee namen, één per regel, en de speler draait twee rondes achter elkaar. Reken op anderhalf uur met een pauze ertussen, en laat de tweede inbrenger iemand zijn die in de eerste ronde veel alternatieven had — hij weet nu hoe het voelt aan de andere kant.
Alternatieven op een gedeeld document online, of in een groot lokaal: iedereen typt zijn alternatief en zijn houding in een gedeeld document terwijl de timer loopt, en dan leest ieder het eigen alternatief voor. De inbrenger heeft na afloop alle alternatieven op papier — meer dan hij in stap 6 kan onthouden.
Met de live link staat de speler op één scherm, dan volgt elk groepslid via de live link dezelfde stap, dezelfde tijd en de incidenttekst op het eigen scherm. Handig in een groot lokaal of online, en in stap 3 om de tekst nog eens na te lezen zonder de inbrenger te vragen het te herhalen.

Per leeftijd

Basisschool en onderbouw vo. Niet voor deze leeftijd. De vorm vraagt dat de groep tien minuten analyseert wat er onder een incident speelt — belangen, verwachtingen — en dat de inbrenger daarbij zwijgt en niet corrigeert; dat is een kwestie van abstractie, niet van durf, en de inbrenger zit te kwetsbaar. Wil je in de klas praten over wat je in een lastige situatie kunt doen, neem dan vier hoeken met vier handelingsopties: de klas kiest een hoek en verdedigt zijn keuze, en niemand hoeft zijn eigen incident op tafel te leggen.
Bovenbouw vo. Kan, in een mentorgroep die elkaar al langer kent, met drie voorwaarden: de inbrenger meldt zich vrijwillig, het incident gaat over een situatie buiten de klas — een bijbaan, een stage, een klant die uit zijn slof schiet — en jij zit in de kring om de afloop te bewaken en de verboden vragen te herformuleren. Houd de analyse op vijf minuten en laat de alternatieven schrijven: bij deze leeftijd is dat de stap die de rest draagt.
Mbo, hbo en lerarenopleiding. De sterkste inzet in het onderwijs. Een incident uit de stage is echt, recent en heeft een afloop die de groep niet kent — en intervisie staat in de meeste opleidingen al op het programma, vaak zonder dat de groep een methode heeft die tot een besluit leidt. Deze doet dat. Groepen van vijf of zes, drie kwartier, en de alternatieven op papier zodat de student ze meeneemt naar de volgende stagedag.
Volwassenen: teams en intervisie. De omgeving waarvoor de vorm is gemaakt. Het moeilijkste is hier niet de analyse maar het verzwijgen: professionals vertellen hun incident het liefst inclusief wat ze deden en waarom dat verstandig was. Zeg vooraf dat het einde niet mag, onderbreek als het toch komt, en zeg er ook bij waarom — de groep kan niet meer blind denken als ze het weet.

Veelgemaakte fouten

De afloop komt toch mee. "…en toen heb ik hem de klas uitgestuurd, want…" — en de analyse is weg, want de groep beoordeelt nu een besluit in plaats van zelf te denken. Onderbreek zonder aarzelen: stop, daar wil ik het nog niet over hebben. Het is de belangrijkste zin van de begeleider.
De vraag blijft vaag. "Hoe ga ik om met moeilijke ouders?" kost je straks de hele analyse. Vraag door tot de vraag begint met "hoe" of "wat" en over één moment gaat, en schrijf hem op het bord — daar blijft hij staan als de groep afdwaalt.
"Waarom deed je dat?" in stap 3. Een oordeel in vermomming, en de inbrenger gaat zich verdedigen. Stap 3 vraagt naar wat er gebeurde, niet naar waarom; herformuleer één keer hardop naar "wat zei je toen?" en de groep doet het daarna zelf.
Oplossingen in de analyse. "Ik zou hem gewoon…" hoort in stap 5. In stap 4 gaat het om wat er speelt — belangen, verwachtingen, wat er onder het incident zit. Wie hier oplossingen toelaat, krijgt straks zeven keer dezelfde.
De inbrenger corrigeert tijdens de analyse. "Nee, zo was het niet" — en de groep stopt met denken en gaat vragen stellen. Hij luistert, ook als de groep het mis heeft; wat de groep mist, is informatie over hoe zijn situatie van buiten oogt. Correcties kunnen in stap 6.
Praten vóór het schrijven. De eerste spreker praat de rest hun eigen alternatief uit het hoofd. Laat de timer eerst twee minuten stilte geven waarin iedereen schrijft, en begin pas dan de ronde.
De reactie wordt een beoordelingsronde. In stap 6 vraagt de groep om te begrijpen wat de inbrenger deed, niet om gelijk te krijgen. "Maar had je niet beter…" is discussie; "wat zei je precies?" is een vraag. Bewaak dat verschil.
De reflectie wordt geschrapt. Na drie kwartier voelt stap 8 als de stap die je kunt missen. Het is de enige stap waarin de groep leert waar het onderzoek scherp werd en waar het wegleed — schrap liever een minuut van de analyse.

Veelgestelde vragen

Wat is de incidentmethode precies?

Een intervisiemethode voor een vaste groep van vijf tot acht collega's, in acht stappen rond één incident. De inbrenger formuleert zijn vraag in één zin (drie minuten) en beschrijft één concreet moment zonder te vertellen hoe het afliep (vier minuten); de groep stelt vragen naar de feiten (drie minuten) en analyseert wat er speelt terwijl de inbrenger luistert (tien minuten); ieder schrijft op wat hij zelf zou doen en vanuit welke houding, en vertelt dat kort (zeven minuten); dan vertelt de inbrenger wat hij werkelijk deed of gaat doen, in relatie tot die alternatieven (drie minuten); iedere deelnemer noemt één inzicht (vijf minuten); en de groep kijkt terug op de intervisie zelf (drie minuten). De constructie zit in stap 2: omdat de afloop ontbreekt, kan de groep niet oordelen en moet ze zelf denken.

Waarom vertelt de inbrenger niet hoe het afliep?

Omdat de groep anders niet analyseert maar beoordeelt. Wie hoort "en toen heb ik hem de klas uitgestuurd", denkt vanaf dat moment over die keuze — goed of fout — en niet meer over de situatie. Wie de afloop niet kent, moet zelf uitzoeken wat er speelt en zelf een keuze maken, en precies dat levert de inbrenger iets op: zeven mensen die onafhankelijk van zijn besluit hebben nagedacht over zijn moment. Het verzwijgen is dus geen spelletje maar de methode, en de begeleider bewaakt het op twee plekken: in stap 2 door te onderbreken zodra de afloop eraan komt, en in stap 3 door de vraag "en toen?" te verbieden. In stap 6 komt de afloop alsnog — en dan is hij een van de alternatieven, niet het antwoord.

Hoe lang duurt een ronde?

De acht stappen tellen op tot achtendertig minuten met de standaardtijden: 3, 4, 3, 10, 7, 3, 5 en 3. Met het installeren van de kring, de overgangen en de reflectievragen aan het eind komt één incident in de praktijk op veertig tot vijftig minuten — plan hem als het hele onderwerp van een bijeenkomst, niet als agendapunt. Wie de werkvorm voorbereidt, stelt per stap de tijd in; de speler telt af. Twee stappen dragen de methode en houden hun tijd: de analyse en de alternatieven. De korte stappen eromheen mogen krapper, en met vijf collega's zijn de alternatieven in vijf minuten voorgelezen. Twee incidenten in één bijeenkomst zijn anderhalf uur met een pauze.

Hoe groot moet de groep zijn?

Vijf tot acht, in één kring. Onder de vijf levert de alternatievenronde te weinig verschillende antwoorden op — en de veelheid is het punt van die stap; boven de acht duurt het voorlezen langer dan het schrijven en wordt de analyse een reeks losse opmerkingen. De speler laat drie tot twaalf toe zodat een groep die net onder of boven de maat zit toch kan draaien, maar de methode is voor vijf tot acht gemaakt. Een groter team splits je in twee kringen met elk een eigen incident.

Wat doet de inbrenger tijdens de analyse?

Luisteren, en niet corrigeren — ook niet als de groep het mis heeft. Dat is de tweede constructie van de methode, naast het verzwijgen van de afloop: zodra de inbrenger "nee, zo was het niet" zegt, stopt de groep met denken en begint ze vragen te stellen, en de analyse wordt een tweede verhelderingsronde. Wat de groep mis heeft, is bovendien informatie: zo oogt zijn situatie van buiten, met de feiten die hij heeft gegeven. Correcties kunnen in stap 6, waar hij vertelt wat hij deed en de groep concretiserende vragen mag stellen. Ook in stap 5 zwijgt hij nog; hij hoort de alternatieven aan en kiest pas daarna.

Kan het ook met een incident dat nog moet komen?

Ja, en dat is een van de sterkste inzetten. De inbrenger vertelt een situatie die eraan komt — het gesprek met een ouder van donderdag, de eerste les na een conflict — en stopt bij het moment waarop hij zal moeten kiezen. De groep analyseert en schrijft alternatieven precies zoals bij een incident uit het verleden; in stap 6 vertelt de inbrenger dan niet wat hij deed maar wat hij gaat doen, en kiest hij uit wat hij net heeft gehoord. De speler zegt het al in de reactiestap: "vertel wat je gedaan hebt, of wat je nu gaat doen". Spreek af dat hij de volgende keer vertelt hoe het afliep.

Hoe begeleid je de incidentmethode?

Drie dingen dragen de ronde. Eén: de afloop. Onderbreek in stap 2 zonder aarzelen zodra de inbrenger naar het einde glijdt — "stop, daar wil ik het nog niet over hebben" — en verbied in stap 3 de vraag "en toen?". Twee: de verboden vraag. "Waarom deed je dat?" is een oordeel in vermomming; herformuleer hem één keer hardop naar "wat zei je toen?" en de groep doet het daarna zelf. Drie: de stilte. In stap 4 zwijgt de inbrenger en corrigeert hij niet; in stap 5 geeft de timer eerst twee minuten waarin iedereen schrijft, en pas daarna begint de ronde. Verder doet de speler het werk — de vraag blijft op het bord staan, het incident blijft op het scherm — en doe de vorm als begeleider zelf één keer als inbrenger: niets leert een groep zo snel waarom het einde niet mag als iemand die het zelf heeft moeten inslikken.

Wat als de groep gaat oordelen in plaats van onderzoeken?

Dat gebeurt op twee voorspelbare plekken. In stap 3, met "waarom deed je dat?" — herformuleer naar wat er gebeurde. En in stap 6, als de afloop bekend is en de groep "maar had je niet beter…" begint: dat is discussie, geen vraag. Zeg vooraf dat de groep in stap 6 vraagt om te begrijpen, niet om gelijk te krijgen, en dat de alternatieven al zijn uitgesproken — de inbrenger heeft ze gehoord en kiest zelf. De reflectie in stap 8 vraagt de groep bovendien zelf waar het onderzoek wegleed naar oordelen; na twee rondes herkent een groep het moment zelf.

Wat is het verschil met de roddelmethode?

Beide laten de inbrenger een stap lang luisteren terwijl de groep over zijn situatie praat, maar ze eindigen anders. De roddelmethode is korter, vijf stappen, en levert een blik van buiten: de inbrenger hoort hoe zijn situatie klinkt als hij niet meepraat, en zegt zelf wat hij meeneemt — geen alternatieven, geen besluit. De incidentmethode verzwijgt de afloop, laat de groep analyseren en alternatieven opschrijven, en eindigt met wat de inbrenger deed of gaat doen. Vuistregel: roddelmethode als de inbrenger een eerlijke spiegel wil, of bij feedback meteen begint uit te leggen; incidentmethode als het team wil weten wat je op zo'n moment kunt doen.

Wat is het verschil met het socratisch gesprek?

Het socratisch gesprek onderzoekt welke houding in een situatie wijs is: de groep verplaatst zich in het hittepunt van de casus en redeneert met de vier kardinale deugden — geen advies, geen besluit, een gedeeld begrip. De incidentmethode onderzoekt handelen: wat speelt hier, wat zou ik doen, wat deed jij. Kies het socratisch gesprek bij een dilemma over wat goed is en een groep die wil verdiepen; de incidentmethode bij een concreet moment waarop iemand iets moest doen en het team wil weten wat. Beide passen in dezelfde vaste groep.

Kan de incidentmethode in de klas?

In de bovenbouw van het vo kan het in een mentorgroep die elkaar kent, met drie voorwaarden: de inbrenger meldt zich vrijwillig, het incident gaat over een situatie buiten de klas — een bijbaan, een stage — en jij zit in de kring om de afloop te bewaken en de verboden vragen te herformuleren. Vanaf het mbo en in het hbo is het een van de beste intervisievormen voor de stage, omdat een stage-incident echt is en een afloop heeft die de groep niet kent. Jonger dan bovenbouw is het niet geschikt: tien minuten analyseren wat er onder een incident speelt terwijl de inbrenger zwijgt, vraagt een abstractie die er dan nog niet is. Voor de klas doet vier hoeken met handelingsopties hetzelfde werk zonder iemand op de stoel te zetten.

Werkt de incidentmethode ook online?

Ja, en beter dan de meeste intervisievormen, omdat het schrijven van stap 5 online vanzelf gaat: iedereen typt zijn alternatief en zijn houding in een gedeeld document terwijl de timer loopt, en leest het daarna voor. De inbrenger zet in stap 4 zijn microfoon uit — luisteren zonder corrigeren is online makkelijker dan in een kring — en zet hem in stap 6 weer aan. Deel het scherm van de speler of geef iedereen de live link, zodat elke deelnemer de stap, de timer en de incidenttekst voor zich heeft.

Waar komt de incidentmethode vandaan?

De constructie — een incident bespreken zonder de afloop, zodat de groep zelf moet beslissen — is de Incident Process die Paul en Faith Pigors in de jaren vijftig aan het MIT ontwikkelden als casusmethode voor het opleiden van leidinggevenden: geen kant-en-klare casus, maar een incident waar de deelnemers zelf de feiten uit moeten halen vóór ze een besluit nemen. In de Nederlandse intervisiepraktijk is die werkwijze omgevormd tot een vaste methode in acht stappen, beschreven in het Praktijkboek Intervisie van Monique Bellersen en Inez Kohlmann en in de intervisieliteratuur van Jeroen Hendriksen — met de alternatievenronde en de reflectie op de intervisie zelf als toevoegingen uit die traditie.

Welke intervisiemethode kies je?

WerkvormDoelGroepDuurWanneer passend
Incidentmethodeéén incident blind analyseren tot alternatieven en een besluit5–840–50 minteam is handelingsverlegen bij één moment
Roddelmethodeeerlijke feedback horen zonder te verdedigen4–835–45 mininbrenger schiet snel in de verdediging
Socratisch gesprekvia verplaatsing en de vier deugden een wijze houding vinden4–830–90 minwaardenkwestie, team wil verdiepen
Dominante ideeënonuitgesproken overtuigingen benoemen4–840–50 mininbrenger loopt steeds tegen hetzelfde aan
Trio-adviessnel advies van twee collega's, in parallelle trio's3 per groep15–20 miniedereen heeft een vraag, weinig tijd
Case cliniczonder advies een nieuwe blik op je eigen rol krijgen4–545–55 minvraag over je eigen leiderschap
Tweetal coachcoachend doorvragen in duo'stweetallen10–20 mingrote groep, opgave in plaats van casus

Bronnen

  • Paul Pigors & Faith Pigors, Case Method in Human Relations: The Incident Process (McGraw-Hill, 1961) — de oorsprong van de constructie: een incident zonder afloop, waaruit de deelnemers zelf de feiten halen vóór ze beslissen.
  • Monique Bellersen & Inez Kohlmann, Praktijkboek Intervisie (Boom) — de incidentmethode als intervisiemethode in acht stappen, met de alternatievenronde en de reflectie op de intervisie waarop deze werkvorm is gebouwd.
  • Jeroen Hendriksen, Intervisie bij werkproblemen (Nelissen) — de basisregels van intervisie: vaste groep, één inbrenger per ronde, feiten vóór meningen, en waarom de inbrenger tijdens de analyse zwijgt.
  • Erik de Haan, Leren met collega's. Praktijkboek intervisie (Van Gorcum) — het verschil tussen een inbreng onderzoeken en een inbrenger beoordelen, en de vraag "waarom deed je dat?" als oordeel in vermomming.
  • Edgar Schein, Helping. How to offer, give, and receive help (2009) — waarom ongevraagd advies de ontvanger klein maakt en eerlijke vragen niet; de grond onder de verhelderingsstap en het schrijven vóór het spreken.

Samengesteld door Oksana Oliinyk · Laatst bijgewerkt 15 september 2026

Was deze pagina nuttig?

Na je antwoord stellen we nog drie korte vragen — een halve minuut, en je helpt ons echt.

Log in om te reageren.

Nog geen reacties. Wees de eerste!