Incidentmethode
Toepassen in nieuwe contextDe incidentmethode is een intervisiemethode in acht stappen waarin de inbrenger één incident vertelt zonder de afloop, zodat de groep het blind analyseert. Eerst formuleert hij zijn vraag in één zin, dan beschrijft hij één concreet moment en stopt precies vóór de lastige keuze; de groep vraagt naar de feiten, analyseert wat er speelt terwijl de inbrenger luistert, en schrijft daarna ieder voor zich op wat hij zelf zou doen. Pas dan vertelt de inbrenger wat hij werkelijk deed of gaat doen, ieder noemt één inzicht, en de groep kijkt terug op het gesprek zelf. Gemaakt voor vaste groepen van vijf tot acht collega's die een concrete situatie willen uitpluizen tot een besluit — niet voor een inbrenger die vooral gehoord wil worden, en niet voor een vraag zonder één aanwijsbaar moment.
Zo ziet de klas het op het bord
8 stappen · elk ingebracht incident is één ronde van ± 38 min
Voor jou: Vraag door tot de vraag begint met "hoe" of "wat" — een vage vraag kost je straks de analyse.
Groepsgrootte
kring van 5–8 collega's
Duur
40–50 min per casus
Niveau
vanaf bovenbouw vo · teams
Materiaal
pen en papier, een bord voor de vraag
Vorm
één kring, één inbrenger per ronde
Doel
handelen onderzoeken vóór het oordeel
Check vóór de eerste keer één ding: heeft de inbrenger een incident, en niet een toestand? Een incident is één moment met een keuze erin — de leerling die wegloopt en de deur dichtslaat, de ouder die midden in het gesprek opstaat. "Het loopt al maanden stroef met die klas" is geen incident, en zonder een moment valt er niets te analyseren zonder afloop. Vraag om iets van de afgelopen weken, met een plaats, een tijdstip en een zin die is uitgesproken.
Verloop in één oogopslag
38 min totaalDe minuten hierboven zijn een startpunt, geen script: wie de werkvorm voorbereidt, stelt zelf per stap de tijd in. De achtendertig minuten van de stappen worden in de praktijk veertig tot vijftig, met het installeren van de kring en de reflectie aan het eind erbij. Twee stappen dragen de methode en houden hun tijd — de analyse van tien minuten en de alternatieven van zeven; de korte stappen eromheen mogen krapper. Met vijf collega's zijn de alternatieven in vijf minuten voorgelezen, met acht is zeven minuten net genoeg.
Stap-voor-stap instructie
8 stappen
Vraag formuleren
3 minde inbrenger spreektDe casusinbrenger formuleert in één zin wat hij van de groep wil weten. Is de vraag te breed, dan helpen de begeleider of de groep hem scherper te krijgen; hij komt op het bord.
Het incident beschrijven
4 minde inbrenger spreektHij beschrijft één concreet moment — wat er gebeurde, wie erbij waren, wat hij zei — en stopt vóór hij vertelt hoe het afliep.
Verduidelijkende vragen
3 minde groepDe deelnemers vragen naar de feiten, niet naar het waarom en niet naar de afloop; de inbrenger antwoordt kort en zo feitelijk mogelijk.
Analyse
10 minde groepDe deelnemers bespreken samen wat er speelt: welke belangen en verwachtingen botsen hier? Nog geen oplossingen. De inbrenger luistert en corrigeert niet.
Alternatieven delen
7 mineerst schriftelijk, dan om de beurtIeder schrijft eerst voor zichzelf op wat hij hier zou doen en vanuit welke houding, en vertelt dat daarna kort — zonder discussie tussendoor.
Reactie van de casusinbrenger
3 minde inbrenger spreektDe inbrenger vertelt wat hij werkelijk deed of gaat doen, in relatie tot de alternatieven die hij hoorde. De groep mag concretiserende vragen stellen, geen discussie.
Inzichten formuleren
5 minsamenIedere deelnemer zegt om de beurt welk inzicht deze intervisie hem oplevert — over zichzelf, niet over wat de ander moet. De inbrenger doet mee.
Reflectie op de intervisie
3 minsamenDe groep kijkt terug op het verloop, niet op de casus: waar werd het onderzoek scherp, waar gleed het weg, wat doen we volgende keer anders?
Eén incident per ronde. Een tweede inbrenger begint weer bij stap 1; de speler draait één ronde per naam die je in de voorbereiding hebt ingevuld en sluit af met de reflectievragen.
Waarom werkt dit?
Wie de afloop van een verhaal kent, beoordeelt hem; wie hem niet kent, moet zelf denken. Dat is de hele constructie van de incidentmethode, en de zeven andere stappen staan eromheen om die ene constructie te laten werken.
In een gewone casusbespreking vertelt de inbrenger wat hij deed, en de groep zegt of dat goed was. Hier stopt hij precies vóór de keuze, en dus kan de groep maar één ding: zelf uitzoeken wat er speelt en wat zij zou doen. Dat verandert wie er kwetsbaar is — niet de inbrenger, die nog niets heeft prijsgegeven, maar de groep, die hardop moet denken. Bewaak het einde dus streng: onderbreek met "stop, daar wil ik het nog niet over hebben" zodra hij naar de afloop glijdt, en verbied in stap 3 de vraag "en toen?". Eén verklapte afloop en de methode is een adviesgesprek geworden.
De analyse van stap 4 is de langste stap en de enige zonder oplossingen: welke belangen botsen hier, welke verwachtingen, wat speelt er onder het incident? De inbrenger luistert en mag niet corrigeren — ook niet als de groep het mis heeft, want wat de groep mist, is zelf informatie over hoe zijn situatie van buiten oogt. Wie oplossingen in de analyse toelaat, krijgt in stap 5 zeven keer hetzelfde advies; wie ze tien minuten tegenhoudt, krijgt zeven verschillende, omdat iedereen intussen een eigen beeld van het incident heeft opgebouwd.
In stap 5 schrijft ieder eerst voor zichzelf op wat hij zou doen en vanuit welke houding, en pas daarna vertelt iedereen om de beurt, kort, zonder discussie. Zonder dat schrijven praat de eerste spreker de rest hun eigen antwoord uit het hoofd, en hoort de inbrenger één alternatief in zeven varianten. Met het schrijven hoort hij zeven — en de houding erbij ("ik zou streng zijn, omdat…") maakt het verschil tussen een tip en een keuze. Het gaat om de veelheid, niet om de beste: de inbrenger kiest zelf in stap 6.
Wanneer wel, wanneer niet
Wanneer wel
- Bij één incident met een keuze erin. Een leerling die wegloopt, een ouder die zijn stem verheft, een collega die in de vergadering iets zegt wat je niet laat lopen — en de vraag: wat doe ik op dat moment? Hoe scherper het moment, hoe beter de methode werkt.
- Als het team handelingsverlegen is. Iedereen herkent de situatie en niemand weet wat hij zou doen. De alternatievenronde levert dan in zeven minuten meer handelingsopties op dan een half uur discussie — omdat ze zijn opgeschreven vóórdat iemand de toon zette.
- Bij een incident dat nog moet komen. De vorm werkt ook vooruit: "het gesprek met die ouder is donderdag, wat doe ik als hij weer begint over de cijfers?" De inbrenger vertelt in stap 6 dan niet wat hij deed, maar wat hij gaat doen — en heeft zeven alternatieven gehoord vóór hij koos.
- In een vaste intervisiegroep die al kan luisteren. Acht stappen en drie kwartier vragen een groep die weet dat de inbrenger in stap 4 zwijgt en dat "waarom deed je dat?" geen vraag is. Na twee of drie keer trio-advies of de roddelmethode is een groep daar klaar voor.
- Als hele onderwerp van een bijeenkomst. Niet als agendapunt naast vijf andere: één incident, drie kwartier, en de reflectie aan het eind. Een tweede incident past in dezelfde bijeenkomst als er anderhalf uur is en een pauze ertussen.
Wanneer niet
- Zonder één aanwijsbaar moment. "Het loopt stroef met die klas" heeft geen afloop om te verzwijgen, en dus niets om blind te analyseren. Vraag de inbrenger om één moment uit die stroeve maanden — de les waarin het kantelde, het gesprek dat verkeerd viel. Blijft het bij een patroon in plaats van een moment, dan zijn de dominante ideeën de betere vorm: die zoekt naar de overtuigingen onder het patroon.
- Als de inbrenger vooral gehoord wil worden. De incidentmethode onderzoekt handelen en eindigt met alternatieven; wie vooral wil horen hoe zijn situatie van buiten klinkt, zonder adviezen, is beter af met de roddelmethode — vijf stappen, geen alternatievenronde, en de inbrenger zegt aan het eind zelf wat hij meeneemt.
- Bij een waardenkwestie in plaats van een handeling. "Mag ik een leerling iets beloven wat ik niet zeker weet?" heeft geen incident maar een dilemma, en het antwoord is geen alternatief maar een houding. Daarvoor is het socratisch gesprek gemaakt: dezelfde groep, meer tijd, en de vier deugden als taal.
- Met minder dan drie kwartier. Acht stappen laten zich inkorten, maar niet halveren: onder de dertig minuten sneuvelt de analyse of de alternatievenronde, en dat zijn de twee stappen die de methode dragen. Heb je een half uur, neem dan trio-advies — dezelfde luisterbeweging in drietallen, een kwartier per vraag — en bewaar het incident voor een bijeenkomst met tijd.
- Met een groep die elkaar net kent. Tien minuten hardop analyseren terwijl de inbrenger luistert, vraagt vertrouwen dat er in een eerste bijeenkomst nog niet is; de groep blijft dan aan de oppervlakte en de alternatieven worden beleefd. Begin zo'n groep met trio-advies, en kom na twee of drie keer hier terug.
Voorbeelden per context
Varianten
Per leeftijd
Veelgemaakte fouten
Veelgestelde vragen
Wat is de incidentmethode precies?
Een intervisiemethode voor een vaste groep van vijf tot acht collega's, in acht stappen rond één incident. De inbrenger formuleert zijn vraag in één zin (drie minuten) en beschrijft één concreet moment zonder te vertellen hoe het afliep (vier minuten); de groep stelt vragen naar de feiten (drie minuten) en analyseert wat er speelt terwijl de inbrenger luistert (tien minuten); ieder schrijft op wat hij zelf zou doen en vanuit welke houding, en vertelt dat kort (zeven minuten); dan vertelt de inbrenger wat hij werkelijk deed of gaat doen, in relatie tot die alternatieven (drie minuten); iedere deelnemer noemt één inzicht (vijf minuten); en de groep kijkt terug op de intervisie zelf (drie minuten). De constructie zit in stap 2: omdat de afloop ontbreekt, kan de groep niet oordelen en moet ze zelf denken.
Waarom vertelt de inbrenger niet hoe het afliep?
Omdat de groep anders niet analyseert maar beoordeelt. Wie hoort "en toen heb ik hem de klas uitgestuurd", denkt vanaf dat moment over die keuze — goed of fout — en niet meer over de situatie. Wie de afloop niet kent, moet zelf uitzoeken wat er speelt en zelf een keuze maken, en precies dat levert de inbrenger iets op: zeven mensen die onafhankelijk van zijn besluit hebben nagedacht over zijn moment. Het verzwijgen is dus geen spelletje maar de methode, en de begeleider bewaakt het op twee plekken: in stap 2 door te onderbreken zodra de afloop eraan komt, en in stap 3 door de vraag "en toen?" te verbieden. In stap 6 komt de afloop alsnog — en dan is hij een van de alternatieven, niet het antwoord.
Hoe lang duurt een ronde?
De acht stappen tellen op tot achtendertig minuten met de standaardtijden: 3, 4, 3, 10, 7, 3, 5 en 3. Met het installeren van de kring, de overgangen en de reflectievragen aan het eind komt één incident in de praktijk op veertig tot vijftig minuten — plan hem als het hele onderwerp van een bijeenkomst, niet als agendapunt. Wie de werkvorm voorbereidt, stelt per stap de tijd in; de speler telt af. Twee stappen dragen de methode en houden hun tijd: de analyse en de alternatieven. De korte stappen eromheen mogen krapper, en met vijf collega's zijn de alternatieven in vijf minuten voorgelezen. Twee incidenten in één bijeenkomst zijn anderhalf uur met een pauze.
Hoe groot moet de groep zijn?
Vijf tot acht, in één kring. Onder de vijf levert de alternatievenronde te weinig verschillende antwoorden op — en de veelheid is het punt van die stap; boven de acht duurt het voorlezen langer dan het schrijven en wordt de analyse een reeks losse opmerkingen. De speler laat drie tot twaalf toe zodat een groep die net onder of boven de maat zit toch kan draaien, maar de methode is voor vijf tot acht gemaakt. Een groter team splits je in twee kringen met elk een eigen incident.
Wat doet de inbrenger tijdens de analyse?
Luisteren, en niet corrigeren — ook niet als de groep het mis heeft. Dat is de tweede constructie van de methode, naast het verzwijgen van de afloop: zodra de inbrenger "nee, zo was het niet" zegt, stopt de groep met denken en begint ze vragen te stellen, en de analyse wordt een tweede verhelderingsronde. Wat de groep mis heeft, is bovendien informatie: zo oogt zijn situatie van buiten, met de feiten die hij heeft gegeven. Correcties kunnen in stap 6, waar hij vertelt wat hij deed en de groep concretiserende vragen mag stellen. Ook in stap 5 zwijgt hij nog; hij hoort de alternatieven aan en kiest pas daarna.
Kan het ook met een incident dat nog moet komen?
Ja, en dat is een van de sterkste inzetten. De inbrenger vertelt een situatie die eraan komt — het gesprek met een ouder van donderdag, de eerste les na een conflict — en stopt bij het moment waarop hij zal moeten kiezen. De groep analyseert en schrijft alternatieven precies zoals bij een incident uit het verleden; in stap 6 vertelt de inbrenger dan niet wat hij deed maar wat hij gaat doen, en kiest hij uit wat hij net heeft gehoord. De speler zegt het al in de reactiestap: "vertel wat je gedaan hebt, of wat je nu gaat doen". Spreek af dat hij de volgende keer vertelt hoe het afliep.
Hoe begeleid je de incidentmethode?
Drie dingen dragen de ronde. Eén: de afloop. Onderbreek in stap 2 zonder aarzelen zodra de inbrenger naar het einde glijdt — "stop, daar wil ik het nog niet over hebben" — en verbied in stap 3 de vraag "en toen?". Twee: de verboden vraag. "Waarom deed je dat?" is een oordeel in vermomming; herformuleer hem één keer hardop naar "wat zei je toen?" en de groep doet het daarna zelf. Drie: de stilte. In stap 4 zwijgt de inbrenger en corrigeert hij niet; in stap 5 geeft de timer eerst twee minuten waarin iedereen schrijft, en pas daarna begint de ronde. Verder doet de speler het werk — de vraag blijft op het bord staan, het incident blijft op het scherm — en doe de vorm als begeleider zelf één keer als inbrenger: niets leert een groep zo snel waarom het einde niet mag als iemand die het zelf heeft moeten inslikken.
Wat als de groep gaat oordelen in plaats van onderzoeken?
Dat gebeurt op twee voorspelbare plekken. In stap 3, met "waarom deed je dat?" — herformuleer naar wat er gebeurde. En in stap 6, als de afloop bekend is en de groep "maar had je niet beter…" begint: dat is discussie, geen vraag. Zeg vooraf dat de groep in stap 6 vraagt om te begrijpen, niet om gelijk te krijgen, en dat de alternatieven al zijn uitgesproken — de inbrenger heeft ze gehoord en kiest zelf. De reflectie in stap 8 vraagt de groep bovendien zelf waar het onderzoek wegleed naar oordelen; na twee rondes herkent een groep het moment zelf.
Wat is het verschil met de roddelmethode?
Beide laten de inbrenger een stap lang luisteren terwijl de groep over zijn situatie praat, maar ze eindigen anders. De roddelmethode is korter, vijf stappen, en levert een blik van buiten: de inbrenger hoort hoe zijn situatie klinkt als hij niet meepraat, en zegt zelf wat hij meeneemt — geen alternatieven, geen besluit. De incidentmethode verzwijgt de afloop, laat de groep analyseren en alternatieven opschrijven, en eindigt met wat de inbrenger deed of gaat doen. Vuistregel: roddelmethode als de inbrenger een eerlijke spiegel wil, of bij feedback meteen begint uit te leggen; incidentmethode als het team wil weten wat je op zo'n moment kunt doen.
Wat is het verschil met het socratisch gesprek?
Het socratisch gesprek onderzoekt welke houding in een situatie wijs is: de groep verplaatst zich in het hittepunt van de casus en redeneert met de vier kardinale deugden — geen advies, geen besluit, een gedeeld begrip. De incidentmethode onderzoekt handelen: wat speelt hier, wat zou ik doen, wat deed jij. Kies het socratisch gesprek bij een dilemma over wat goed is en een groep die wil verdiepen; de incidentmethode bij een concreet moment waarop iemand iets moest doen en het team wil weten wat. Beide passen in dezelfde vaste groep.
Kan de incidentmethode in de klas?
In de bovenbouw van het vo kan het in een mentorgroep die elkaar kent, met drie voorwaarden: de inbrenger meldt zich vrijwillig, het incident gaat over een situatie buiten de klas — een bijbaan, een stage — en jij zit in de kring om de afloop te bewaken en de verboden vragen te herformuleren. Vanaf het mbo en in het hbo is het een van de beste intervisievormen voor de stage, omdat een stage-incident echt is en een afloop heeft die de groep niet kent. Jonger dan bovenbouw is het niet geschikt: tien minuten analyseren wat er onder een incident speelt terwijl de inbrenger zwijgt, vraagt een abstractie die er dan nog niet is. Voor de klas doet vier hoeken met handelingsopties hetzelfde werk zonder iemand op de stoel te zetten.
Werkt de incidentmethode ook online?
Ja, en beter dan de meeste intervisievormen, omdat het schrijven van stap 5 online vanzelf gaat: iedereen typt zijn alternatief en zijn houding in een gedeeld document terwijl de timer loopt, en leest het daarna voor. De inbrenger zet in stap 4 zijn microfoon uit — luisteren zonder corrigeren is online makkelijker dan in een kring — en zet hem in stap 6 weer aan. Deel het scherm van de speler of geef iedereen de live link, zodat elke deelnemer de stap, de timer en de incidenttekst voor zich heeft.
Waar komt de incidentmethode vandaan?
De constructie — een incident bespreken zonder de afloop, zodat de groep zelf moet beslissen — is de Incident Process die Paul en Faith Pigors in de jaren vijftig aan het MIT ontwikkelden als casusmethode voor het opleiden van leidinggevenden: geen kant-en-klare casus, maar een incident waar de deelnemers zelf de feiten uit moeten halen vóór ze een besluit nemen. In de Nederlandse intervisiepraktijk is die werkwijze omgevormd tot een vaste methode in acht stappen, beschreven in het Praktijkboek Intervisie van Monique Bellersen en Inez Kohlmann en in de intervisieliteratuur van Jeroen Hendriksen — met de alternatievenronde en de reflectie op de intervisie zelf als toevoegingen uit die traditie.
Welke intervisiemethode kies je?
| Werkvorm | Doel | Groep | Duur | Wanneer passend |
|---|---|---|---|---|
| Incidentmethode | één incident blind analyseren tot alternatieven en een besluit | 5–8 | 40–50 min | team is handelingsverlegen bij één moment |
| Roddelmethode | eerlijke feedback horen zonder te verdedigen | 4–8 | 35–45 min | inbrenger schiet snel in de verdediging |
| Socratisch gesprek | via verplaatsing en de vier deugden een wijze houding vinden | 4–8 | 30–90 min | waardenkwestie, team wil verdiepen |
| Dominante ideeën | onuitgesproken overtuigingen benoemen | 4–8 | 40–50 min | inbrenger loopt steeds tegen hetzelfde aan |
| Trio-advies | snel advies van twee collega's, in parallelle trio's | 3 per groep | 15–20 min | iedereen heeft een vraag, weinig tijd |
| Case clinic | zonder advies een nieuwe blik op je eigen rol krijgen | 4–5 | 45–55 min | vraag over je eigen leiderschap |
| Tweetal coach | coachend doorvragen in duo's | tweetallen | 10–20 min | grote groep, opgave in plaats van casus |
Bronnen
- Paul Pigors & Faith Pigors, Case Method in Human Relations: The Incident Process (McGraw-Hill, 1961) — de oorsprong van de constructie: een incident zonder afloop, waaruit de deelnemers zelf de feiten halen vóór ze beslissen.
- Monique Bellersen & Inez Kohlmann, Praktijkboek Intervisie (Boom) — de incidentmethode als intervisiemethode in acht stappen, met de alternatievenronde en de reflectie op de intervisie waarop deze werkvorm is gebouwd.
- Jeroen Hendriksen, Intervisie bij werkproblemen (Nelissen) — de basisregels van intervisie: vaste groep, één inbrenger per ronde, feiten vóór meningen, en waarom de inbrenger tijdens de analyse zwijgt.
- Erik de Haan, Leren met collega's. Praktijkboek intervisie (Van Gorcum) — het verschil tussen een inbreng onderzoeken en een inbrenger beoordelen, en de vraag "waarom deed je dat?" als oordeel in vermomming.
- Edgar Schein, Helping. How to offer, give, and receive help (2009) — waarom ongevraagd advies de ontvanger klein maakt en eerlijke vragen niet; de grond onder de verhelderingsstap en het schrijven vóór het spreken.
Samengesteld door Oksana Oliinyk · Laatst bijgewerkt 15 september 2026
Was deze pagina nuttig?
Na je antwoord stellen we nog drie korte vragen — een halve minuut, en je helpt ons echt.
Log in om te reageren.
Nog geen reacties. Wees de eerste!