Wat? Dus wat? Wat nu?

Verwerken & verbinden

Wat? Dus wat? Wat nu? is een werkvorm om terug te blikken op iets wat de groep samen heeft meegemaakt: een practicum, een excursie, een project, een toets. Drie vragen, altijd in deze volgorde. Eerst wat er gebeurde, alleen de feiten. Dan wat dat betekent en waarom het ertoe doet. En tot slot welke stap je nu zet. Elke vraag gaat dezelfde weg: een minuut alleen en in stilte, dan in een groepje van vier tot zes, dan met de hele klas. Daar noemt één groepje een punt, en elk groepje dat het ook heeft, roept „Bingo!”. Zo zie je in een paar minuten wat de klas deelt, en bij de laatste vraag kiest de klas zo haar eigen volgende stap.

Ook bekend als What, So What, Now What, W³, of de reflectiecyclus van Borton.

Drie vragen · ± 30 min

Zet op het bord

Eén scherm: de ervaring, de groepsgrootte en de tijd per stap. Bingo of om de beurt kies je bij Extra instellingen. Alleen jij ziet het, de klas pas als jij op Starten drukt.

Precies dit zet je op het digibord. De timer loopt per stap, en jij houdt de regie: pauzeren, tijd erbij of door naar de volgende stap. De vraag staat de hele tijd in beeld, dus de klas weet altijd bij welke van de drie ze is.

Zo ziet de klas het op het bord

4 stappen per vraag · drie vragen, ± 8 min per vraag

Wat? Dus wat? Wat nu?
0s bezig · nog ± 26 min
Wat? · vooraf
vooraf · Groepjes maken
Ga in je groepje zitten.
2:00
groepjes van 5
Groepjes · 2 min
Alleen · 1 min
Groepje · 4 min
Klas · 3 min
← Vorige
Volgende stap →

Voor jou: Eén keer, vóór de eerste vraag. Vier tot zes per groepje.

Groepsgrootte

groepjes van 4 tot 6 · hele klas tegelijk

Duur

± 30 min

incl. uitleg en terugblik

Niveau

vanaf groep 6 tot volwassenen

Materiaal

pen en papier, een plek op het bord

Vorm

drie vragen, elk alleen, in het groepje en met de klas

Doel

van een ervaring naar één volgende stap

Check vóór de eerste keer twee dingen. Is de ervaring echt gedeeld? Iedereen moet erbij geweest zijn, anders heeft een deel van de klas bij Wat? niets te zeggen. En spreek de bingo even af: één punt per keer, en „Bingo!” roep je alleen als je groepje hetzelfde punt heeft opgeschreven.

Stap-voor-stap instructie

3 vragen

Wat? · 8 minuten

Wat hebben we gezien, gehoord en gedaan? Alleen feiten, nog geen uitleg. Eerst een minuut alleen, in stilte: ieder schrijft twee of drie punten op. Dan deelt het groepje om de beurt. Dan de klas: één groepje noemt één punt, en wie het ook heeft, roept „Bingo!”. Daarna mag wie wil.

Dus wat? · 8 minuten

Wat valt op, en waarom doet het ertoe? Nu mag het over betekenis gaan: patronen, verrassingen, wat het zegt. Weer eerst alleen, dan in het groepje, dan met de klas en de bingo.

Wat nu? · 8 minuten

Welke stap zetten we hierna? Eén stap die je kunt zien gebeuren, geen voornemen. Alleen, in het groepje, en dan met de klas: de stap met de meeste bingo’s is de stap van de klas.

Vooraf maak je één keer groepjes van vier tot zes. Elke vraag loopt dezelfde drie stappen: alleen, in het groepje, met de klas. Bij Extra instellingen zet je de bingo om naar „om de beurt”, voor een klas die van roepen ontspoort of een ouderavond. Na elke stap wacht de speler standaard tot jij doorklikt: de bingo eindigt als het roepen stilvalt, niet als de klok afloopt.

Welke leerstrategie traint de klas?

Verwerken & verbinden

Leerlingen zetten de stof in hun eigen woorden en leggen uit waarom iets zo is. Uitleggen dwingt tot verbinden met wat er al zit: dat is begrijpen, niet herhalen. Bron: Dunlosky e.a. (2013), uitleg in eigen woorden en ‘waarom’-vragen.

Op het bordIn je eigen woorden · Je zet het in je eigen woorden en legt het uit. Wat je kunt uitleggen, snap je.

Ook te trainen met deze werkvorm

  • Hardop zeggen waar je bent · Bij Wat? zegt ieder hardop wat er gebeurde, eerst in het groepje, dan voor de klas.(exacte vakken · taal: grammatica)
  • Eerst plannen · Wat nu? eindigt met één stap die de klas samen kiest: de stap met de meeste bingo’s.(mentorles)
Voor thuis: In je eigen woordenPDF

Alle leerstrategieën, met bronnen →Alle werkbladen →

Waarom werkt dit?

Vraag een klas na een practicum „hoe ging het?”, en je krijgt oordelen: leuk, saai, te lang. Wat? Dus wat? Wat nu? zet daar een volgorde tegenover. Drie dingen doen het werk: eerst de feiten, de minuut alleen, en de bingo die laat horen wat gedeeld is.

Eerst de feiten

Wie meteen naar betekenis springt, springt over wat er eigenlijk gebeurde. „Het was saai” is al een oordeel; „we wachtten tien minuten op het materiaal” is een feit, en daar kun je iets mee. Daarom staat bij de eerste vraag op het scherm: alleen feiten, nog geen uitleg. Pas bij Dus wat? gaat het over wat het betekent, en dan heeft de klas iets om op te bouwen. Zonder die volgorde gaat een terugblik van „het was leuk” meteen naar „volgende keer beter”, en daartussen ligt precies wat je wilde leren.

Een minuut alleen

Elke vraag begint met een minuut in stilte, waarin ieder twee of drie steekwoorden opschrijft. Dat is geen opwarmer. Zonder die minuut begint in het groepje de snelste of de luidste, en de rest knikt mee. Met die minuut heeft iedereen iets op papier voordat er gepraat wordt, en het groepje deelt om de beurt. Zo komen ook de stille punten op tafel.

De bingo laat horen wat gedeeld is

Bij het delen met de klas is herhaling meestal het probleem: het vijfde groepje zegt wat het tweede al zei. De bingo draait dat om. Eén groepje noemt een punt, en elk groepje dat het ook heeft, roept „Bingo!”. Een punt dat drie groepjes hebben, is in één seconde verzameld, en iedereen hoort dat het gedeeld wordt. Daarna mag wie wil, als popcorn. Bij Wat nu? wijst het roepen de stap van de klas aan: jij hoeft niets te tellen, je hoort het.

Wanneer wel, wanneer niet

Wanneer wel

  • Na een practicum of een proef. Wat mat je, wat valt op, wat doe je de volgende keer anders? De feitenvraag laat zien wat er echt gebeurde, voordat de klas het al verklaart.
  • Na een excursie, een project of een projectweek. Iedereen was erbij, maar iedereen zag iets anders. De bingo laat zien wat de hele klas raakte en wat maar één groepje opviel.
  • Na een toets die net terug is. Niet de cijfers, maar wat er gebeurde: welke opgave kostte tijd, welke fout kwam vaker voor? Wat nu? wordt dan een afspraak voor de volgende toets.
  • Aan het eind van een periode, in de mentorles. Hoe ging de eerste periode in deze klas? Met de minuut alleen komen ook de stille stemmen aan bod.
  • Met een team, of op een ouderavond. Na een studiedag, een lesbezoek of het eerste kwartaal. Met „om de beurt” in plaats van bingo past het ook in een rustigere zaal.

Wanneer niet

  • Als niet iedereen de ervaring deelt. Wie er niet bij was, heeft bij de eerste vraag niets te zeggen en haakt af. Kies dan een werkvorm waarin ieder zijn eigen ervaring inbrengt, zoals sneeuwbal (1-2-4-All).
  • Als je ideeën zoekt voor iets nieuws. Deze werkvorm kijkt terug en eindigt met één stap. Wil je juist zoveel mogelijk ideeën verzamelen, neem dan sneeuwbal.
  • Als een gewoonte de groep in de weg zit. Wat nu? levert een stap op, maar laat de groep niet zien wat ze zelf doet om vast te blijven zitten. Daarvoor is het slechtste plan gemaakt.
  • Na een ervaring die pijn deed. Een incident, een ruzie, iets ingrijpends: dan is een snelle bingo de verkeerde toon. Neem de tijd voor een rustig gesprek, bijvoorbeeld met Conversation Café.

Eén werkvorm, verschillende functies

Als afsluiting van een practicum of project. De bekendste plek. Wat? haalt op wat er gebeurde, Dus wat? maakt er een les van, en Wat nu? geeft de klas één ding om de volgende keer anders te doen.
Als start van een nieuw onderwerp. Met „wat weten we al over dit onderwerp?” als ervaring wordt Wat? een inventaris van voorkennis, gaat Dus wat? over wat er nog ontbreekt, en wordt Wat nu? de vraag waar de klas mee begint.
Na een andere, lange werkvorm. Na een World Café, een rollenspel of een debat: wat gebeurde er in het gesprek, wat betekent het, wat neem je mee? Zo blijft er meer hangen dan de laatste ronde.
Met collega's of ouders. Na een studiedag, een lesbezoek of het eerste kwartaal. Wat nu? wordt dan een afspraak die het hele team, of de hele ouderavond, gehoord heeft.

Voorbeelden per context

Nederlands · Spreekbeurten
  • De spreekbeurten van deze week
Kant-en-klaar openen· 30 minAndere werkvormen voor Nederlands, ook kant-en-klaar →
Wiskunde · Toets breuken
  • De toets breuken die net terug is
Kant-en-klaar openen· 30 minAndere werkvormen voor Wiskunde, ook kant-en-klaar →
Mentoruur · Eerste periode
  • De eerste periode in deze klas
Kant-en-klaar openen· 30 minAndere werkvormen voor Mentoruur, ook kant-en-klaar →

Varianten

Om de beurt in plaats van bingo elk groepje noemt om de beurt één punt dat nog niet genoemd is. Rustiger, voor een klas die van roepen ontspoort of een ouderavond. Je kiest het in de voorbereiding bij Extra instellingen; bij Wat nu? steekt wie dezelfde stap heeft dan zijn hand op.
De ervaring hardop het veld voor de ervaring is optioneel. Vul je het in, dan staat het boven elke vraag op het scherm; laat je het leeg, dan noem je het hardop voordat je start.
Korter of langer de tijd voor alleen, het groepje en de klas stel je één keer in, en dat geldt voor alle drie de vragen. Heeft een klas minder tijd, haal dan eerst tijd weg bij het groepje; de minuut alleen en de klas zijn wat de werkvorm draagt.
Kleinere of grotere groepjes vier tot zes is de maat, en de speler gaat van drie tot zeven. Met minder is er weinig om „Bingo!” bij te roepen, met meer valt de stilste stil.
De stap later terughalen schrijf de stap van de klas op en kom er na een paar weken op terug: hebben we het gedaan? Dat is een kort gesprek, en het maakt van de terugblik meer dan een afsluiting.

Per leeftijd

Kleuters tot groep 5. Niet in deze vorm. Feiten en betekenis uit elkaar houden, en dat in een groepje zonder jou, vraagt meer dan jonge kinderen al kunnen. De drie vragen werken wel in de kring, met jou als gespreksleider: wat hebben we gedaan, wat vond je ervan, wat doen we morgen?
Groep 6–8. Kan goed, na een uitstapje of een proef. De lastigste vraag is de eerste: help met één voorbeeld van een feit en één van een oordeel. De bingo vinden ze meestal het leukst.
Onderbouw vo. Werkt goed, vooral na een practicum of een project. Let bij Dus wat? op antwoorden die alleen het feit herhalen; vraag dan: en wat zegt dat?
Bovenbouw vo, mbo en volwassenen. Werkt zoals bedoeld, ook op grote onderwerpen: een stage, een project van weken, een verandering in het team. Bij volwassenen is de minuut alleen vaak het moment waarop het eerlijke punt opgeschreven wordt.

Veelgemaakte fouten

Bij Wat? al verklaren. „Het mislukte omdat…” hoort bij Dus wat?. Vraag bij een oordeel: wat zag je dan precies?
De minuut alleen overslaan. Dan praat in het groepje de luidste het eerst, en de rest haakt aan. De minuut kost weinig en brengt de stille punten mee.
Alle punten opschrijven. Op het bord hoort een korte kolom per vraag, geen notulen. De bingo laat zien wat gedeeld is; dat schrijf je op.
Bij Wat nu? een voornemen. „Beter samenwerken” is geen stap. „Bij de volgende proef leest één iemand per groepje eerst het voorschrift voor” wel.
Doorklikken op de klok. De bingo eindigt als het roepen stilvalt, niet als de klok afloopt. De speler wacht daarom standaard op jou.

Veelgestelde vragen

Wat is Wat? Dus wat? Wat nu?

Een werkvorm om terug te blikken op een ervaring die de groep deelt, met drie vragen in een vaste volgorde. Wat? gaat over de feiten: wat zagen, hoorden en deden we? Dus wat? gaat over de betekenis: wat valt op, en waarom doet het ertoe? Wat nu? gaat over de volgende stap. Elke vraag beantwoord je eerst alleen, dan in een groepje, dan met de klas. Het is een van de Liberating Structures, in het Engels What, So What, Now What.

Hoe lang duurt Wat? Dus wat? Wat nu?

Met de standaardinstellingen duurt de hele werkvorm ± 30 minuten: 3 rondes, uitleg en terugblik inbegrepen.

Elke vraag is een ronde van acht minuten: één minuut alleen, vier in het groepje en drie met de klas. Vooraf komen er twee minuten bij om de groepjes te maken. Elke stap stel je zelf in, in stappen van dertig seconden, en die tijd geldt voor alle drie de vragen. De speler gaat pas verder als jij doorklikt.

Hoe werkt de bingo?

Bij het delen met de klas noemt één groepje één punt. Heeft een ander groepje hetzelfde punt opgeschreven, dan roept het „Bingo!”. Daarna noemt wie wil het volgende punt, als popcorn. Zo hoort de hele klas welke punten gedeeld worden, zonder dat elk groepje alles herhaalt. Bij Wat nu? is de stap met de meeste bingo's de stap van de klas. Liever rustiger? Zet in de voorbereiding bij Extra instellingen de bingo op „om de beurt”.

Waarom eerst alleen nadenken?

Omdat anders de snelste of de luidste het groepje opent, en de rest meegaat. Met een minuut in stilte heeft iedereen twee of drie punten op papier voordat er gepraat wordt, en in het groepje deel je om de beurt. Zo komt ook het punt van wie niet uit zichzelf begint op tafel.

Wat is het verschil tussen Wat? en Dus wat?

Wat? vraagt naar wat je waarnam: „we wachtten tien minuten op het materiaal”, „de meting week twee keer af”. Dus wat? vraagt wat dat betekent: „we begonnen te laat aan de proef”, „onze opstelling was niet stabiel genoeg”. Wie die twee mengt, verklaart voordat hij goed gekeken heeft. Daarom staat bij de eerste vraag op het scherm: alleen feiten, nog geen uitleg.

Wat is een goede stap bij Wat nu?

Een stap die je kunt zien gebeuren, geen voornemen. „Beter plannen” is een voornemen; „bij de volgende proef leest één iemand per groepje eerst het voorschrift voor” is een stap. Vraag bij een vaag antwoord: hoe zien we morgen dat we het doen? De stap met de meeste bingo's schrijf je op het bord, en daar kom je later op terug.

Wat is het verschil met sneeuwbal (1-2-4-All)?

Allebei gaan ze van alleen naar de hele groep. Sneeuwbal trechtert ideeën over één vraag: van ieder alleen naar tweetallen, viertallen en de klas. Wat? Dus wat? Wat nu? stelt drie vragen na elkaar over één ervaring, en elke vraag gaat de weg van alleen naar groepje naar klas. Zoek je ideeën, neem sneeuwbal. Wil je een ervaring laten landen in een volgende stap, neem deze.

Kan het met collega's of ouders?

Ja, en daar wordt het veel gebruikt: na een studiedag, een lesbezoek, een project of het eerste kwartaal. Wat nu? wordt dan een afspraak die iedereen gehoord heeft. Op een ouderavond, of in een zaal waar niemand graag roept, kies je in de voorbereiding „om de beurt” in plaats van bingo.

Hoe begeleid je Wat? Dus wat? Wat nu?

Vooraf: noem de ervaring en spreek de bingo af. Bij Wat?: loop rond en vraag bij een oordeel: wat zag je dan precies? Bij het groepje: om de beurt, één punt per keer. Bij de klas: schrijf de punten kort op het bord, per vraag een kolom, en klik pas door als het roepen stilvalt. Bij Wat nu?: vraag door tot de stap iets is wat je kunt zien gebeuren, en kom er later op terug.

Waar komt Wat? Dus wat? Wat nu? vandaan?

De drie vragen gaan terug op Terry Borton, die ze in 1970 beschreef in Reach, Touch, and Teach. Gary Rolfe, Dawn Freshwater en Melanie Jasper maakten er later een bekend reflectiemodel van voor zorg en onderwijs. Als What, So What, Now What is het een van de Liberating Structures van Henri Lipmanowicz en Keith McCandless. De bingo bij het delen met de klas zagen we op de bijeenkomsten van The Liberators. De versie in LudensFlow laat elke vraag dezelfde drie stappen lopen, alleen, in het groepje en met de klas, en laat de speler op jou wachten.

Terugblikken en verder komen: welke vorm past?

WerkvormDoelGroepDuurWanneer passend
Wat? Dus wat? Wat nu?van een gedeelde ervaring naar één stapgroepjes van 4–6± 30 minna een practicum, project of toets
Sneeuwbal (1-2-4-All)ideeën trechteren van individueel naar plenair8–32± 18 minje wilt breed beginnen en niemand overslaan
Het slechtste planzien wat je jezelf in de weg legtalleen of in groepjes± 19 minweerstand of vastgeroest gedrag
Conversation Caférustig praten over iets complexes4–8± 35 minbegrip nodig, geen besluit
World Caféveel mensen, veel thema's2–4 tafels van 3–6± 45 minéén grote vraag met veel kanten

Bronnen

  • Henri Lipmanowicz & Keith McCandless, The Surprising Power of Liberating Structures (2013). What, So What, Now What; zie ook ons overzicht van de Liberating Structures.
  • Terry Borton, Reach, Touch, and Teach: Student Concerns and Process Education (1970). De drie vragen als cyclus voor leren uit ervaring.
  • Gary Rolfe, Dawn Freshwater & Melanie Jasper, Critical Reflection for Nursing and the Helping Professions: A User's Guide (2001). Het reflectiemodel op basis van Bortons vragen.
  • liberatingstructures.com: de officiële beschrijving, met stappen en varianten.

Samengesteld door Oksana Oliinyk · Laatst bijgewerkt 6 november 2026

Was deze pagina nuttig?

Na je antwoord stellen we nog drie korte vragen. Een halve minuut, en je helpt ons echt.